1 december 2023

De toekomst van Religieus Leven

Rondetafelgesprek

Op vrijdag 1 december organiseerde de gemeenschap Ad Montem een Rondetafelgesprek waarin we met elkaar in gesprek gingen over de toekomst van het contemplatieve religieuze leven, in en buiten de muren. Naast de leden van het Convent rondom God, d.w.z. het Klooster Schiermonnikoog en Ad Montem, en het bestuur van de Stichting Vrienden van Ad Montem, waren we met vijftien mensen rond de tafel.

Vertrekken vanuit een nulpunt

Nadenkend over de toekomst kunnen we geen gebruik maken van gebaande wegen of vastliggende zekerheden maar moeten we opnieuw vertrekken vanuit het nulpunt van de geraaktheid door God zoals de historische stichters dat moesten doen. Dat is een pijnlijk en duister proces dat zich in de marge van kerk en wereld afspeelt. De leerschool van gebed en contemplatie beperkt zich niet tot enkele klassieke vormen en leefwijzen maar heeft onmiddellijk betrekking op een wijd spectrum van activiteiten en betrekkingen waarin er oog is voor de mens zoals die in zijn of haar uniciteit door God gezien en bemind wordt. In die zin is er sprake van een radicaal contemplatief leven waartoe iedere mens geroepen is. Jammer genoeg werd deze studiedag door de tijd beperkt. Daarom hopen we op korte termijn dit inspirerende gesprek in een of meerdere vormen te kunnen voortzetten.

Bijdrage van Elisabeth Hense

Inleiding

Het wetenschappelijk werk in het vakgebied van de spiritualiteit was voor Hein altijd al intrinsiek verbonden met het religieus leven. Hier op Schiermonnikoog krijgt deze verbinding een spannende nieuwe context. Met Jos en Carmen, met de monniken van het klooster en met verschillende gasten zoekt Hein tastenderwijs naar nieuwe dragende vormen van wetenschappelijk werken en religieus leven in deze tijd. Wat mij hierbij opvalt, vat ik samen in zeven punten:

Je laten verwelkomen

Je laten verwelkomen in een ruimte die je zo maar gegeven wordt:
Hein, Jos en Carmen werden door de broeders gastvrij onthaald op Schiermonnikoog. Gastvrijheid is een oude spirituele praktijk die hoort bij het religieus leven. Mensen ontvangen, ze een tijdje mee laten leven, ze mee laten bidden – dat kennen we uit de traditie. Maar hier op Schiermonnikoog schijnt de gastvrijheid verder te gaan dan vroeger gebruikelijk was: ook in spiritueel opzicht en met eigen wetenschappelijke projecten worden gasten verwelkomd. Ik voel me welkom met mijn achtergrond in de derde orde van de Karmel en ook met mijn werk aan het Titus Brandsma project. Het is fijn dat de leden van Ad Montem open staan voor samenwerking: in de editorial board, met achtergrondartikelen, met lezingen, met het opbouwen van de Titus Brandsma Circle en straks ook met het verzorgen van vijf verdere bundels van de verzamelde werken van Titus Brandsma.

Eenvoudig leven

Eenvoudig leven: Net als gastvrijheid is ook eenvoud een deugd die we kennen uit de traditie van het religieus leven. Door de confrontatie met de huidige klimaatcrisis en het besef van de eindigheid van onze hulpbronnen is de terugkeer naar eenvoud dringend geboden. Maar hoe vind je de weg hierheen? Ad Montem doet hiertoe een poging via weinig vlees eten, eten uit de eigen moestuin, sober omgaan met kleding en reizen. Persoonlijk voel ik de eenvoud ook in de wijze waarop ik kan samenwerken met Ad Montem: onderling overleg is soepel, feedback is serieus en to the point, de inbreng is betrouwbaar.

Lectio Divina

Een leven leiden vanuit de Lectio Divina: De invulling van de dag geschiedt in Ad Montem vanuit de Lectio Divina. Het rustige lezen en bemediteren van spirituele teksten is het fundament van het dagelijks leven en werken. Prestatie- en concurrentie-denken vervagen hier op Schiermonnikoog. De gebruikelijke stress van het academisch werk valt van je af en je mag hier op een ontspannen manier je intellectuele creativiteit de ruimte geven. Toen ik de vorige keer hier bij Ad Montem op bezoek was vroeg Jos aan mij: zou je zelf niet ook meer vanuit de Lectio Divina willen werken? Op de universiteit zie ik dit nog niet gebeuren, maar mijn pensioen komt eraan en dan kan het Titus Brandsma project samen met Carmen, Jos en Hein met meer rust en stilte en met meer innerlijke adem voortgezet worden.

Samenwerking

Bouwen aan internationale, interculturele en interspirituele samenwerking: Ad Montem zit in een netwerk van wetenschappers en van mensen die zoeken naar nieuwe vormen van religieus leven in onze tijd. Fysiek is de gemeenschap op een eiland gevestigd, maar in het werk en in het geestelijk leven lopen de lijntjes over de hele wereld. Met onze eerste internationale Titus Brandsma conferentie in oktober van dit jaar hebben we collega’s uit 17 landen bereikt, alle continenten waren vertegenwoordigd. De openingsavond van de conferentie is op video opgenomen en via het internet overal ter wereld te bekijken. Ad Montem gaat helpen bij het opzetten van een website voor de Titus Brandsma Circle. Het is mooi dat die Circle heel divers is samengesteld, dat maakt de onderlinge samenwerking des te boeiender.

Inspiratie doorgeven

Inspiratie doorgeven aan andere gemeenschappen: Door de nieuwe ervaringen hier op Schiermonnikoog kunnen de leden van Ad Montem ook iets betekenen voor andere religieuze gemeenschappen. Het is fijn dat in een tijd van stervende kloosterordes en stervende congregaties in Nederland nieuwe initiatieven worden genomen, die duidelijk maken dat het vonkje in het religieuze leven nog altijd brandende is. Het draait niet alleen maar om het sluiten van huizen en opgeven van provincies. Hier op Schiermonnikoog valt een nieuwe weg te ontdekken. Dat kan ook anderen bemoedigen om een soortgelijke beweging te maken, nieuwe verbindingen te zoeken en verlangend uit te kijken naar eigentijdse vormen van de verbinding tussen spiritueel leven en wetenschappelijk werk. Volgens mij biedt het Titus Brandsma project in de nabije toekomst nog veel meer mogelijkheden om Ad Montem verder te laten bloeien.

Collega wetenschappers

Inspiratie doorgeven aan collega-wetenschappers: Veel collega’s op de universiteiten raken uitgeput, vermoeid door de hoge prestatiedruk, de harde concurrentie, en ook door de vele vormen van ongelijkheid en sociale onveiligheid. Er groeit het besef dat het in het wetenschapsbedrijf eigenlijk heel anders moet als je deze problemen wilt oplossen. Hein, Jos en Carmen laten er iets van zien hoe het anders kan. Wat uiteindelijk telt is de kwaliteit van het product. De zetting waarin het is ontstaan zou op zijn best ondersteunend hiervoor moeten zijn. Universiteiten zijn hier niet altijd goed in, menig talent wordt weggepest of aan de kant gezet. Ik vond het erg fijn dat we op de Titus Brandsma conferentie hoorden dat onze internationale collega’s van allerlei achtergronden het een spiritueel en intellectueel feest vonden om erbij te zijn en dat ze in de toekomst mee willen blijven doen.

Het aspiratieve gebed

Ten slotte wil ik het aspiratieve gebed aanspreken:
Heins leermeesters hierin waren naast Jean de Saint-Samson ook vele andere auteurs uit de Karmel of de Nederlandse mystieke traditie. Hein en de leden van Ad Montem weten hier niet enkel mooi over te spreken maar vinden in de praktijk van het aspiratieve gebed ook zelf rust en gelatenheid, de ervaring van geborgen te zijn bij God. Het is een vorm van bidden die recht doet aan de beleving van vriendschap met God. Hein, (ook al ben ik nu een paar maanden te laat) – ik wil je van harte feliciteren met je tachtigste verjaardag en met het rijke leven waarop je terug kunt kijken, uitmondend in het prachtige initiatief dat jullie de naam Ad Montem hebben gegeven.

Bijdrage van Erik Borgman

Nergens bij horen

Voor de zwarte Amerikaanse schrijver James Baldwin was het kunstenaarschap een buitengewoon weerbarstigste roeping. Het is niet zozeer gebaseerd op een vermogen, maar op onvermogen. Dit onvermogen beschrijft Baldwijn zo:

Het eerste waar een kunstenaar achter komt als hij nog heel erg jong is […], is dat hij, om redenen die hij noch aan zichzelf noch aan anderen kan uitleggen, nergens bij hoort (51-52).

Waar de kunstenaar is spe ook is, hij of zij staat onherroepelijk aan de rand. De anderen proberen hem of haar tot de orde te roepen. Door niet te doen wat zij of hij zou moeten doen, is de aankomende kunstenaar de levende ontmaskering van de normaliteit. Die is blijkbaar niet zaligmakend en dat zij of hij dat aantoont, zo zegt Baldwin, wordt de kunstenaar niet vergeven. Om waarachtig te kunnen leven zal de kunstenaar daarom nieuw licht moeten laten schijnen op de werkelijkheid van anderen. Dat is haar of zijn roeping. ‘De kracht waar je niet om hebt gevraagd en de bestemming die je hebt te accepteren, is tevens jouw verantwoordelijkheid’ (55), aldus Baldwin. Hiervoor moet je alles riskeren, zo meent hij: ‘alles van jezelf en van wie je denkt dat je zou willen zijn, van waar je denkt dat je heen zou willen gaan – alles, en dat steeds opnieuw’ (55). Als een kunstenaar erin slaagt te zeggen wie hij is in zijn niet-passendheid, als zij daar de moed en de woorden voor vindt, dan is dat haar bijdrage aan de verheldering van wie wij zijn, meent Baldwin.
Ik heb deze gedachten van Baldwin onlangs gebruikt om de positie van de theologie te verhelderen. Haar omstredenheid en marginaliteit zijn geen zaken die zij moet overwinnen. Zij moet ze met Baldwin – en met Paulus, uiteraard! – als haar kracht leren zien. Hierbij zeg ik natuurlijk veel over hoe ik mijn eigen positie zie. Hoewel niet zwart en dus niet daardoor gedreven naar de rand van een racistische cultuur die haar racisme ontkent, identificeer ik mij spontaan met Baldwins thuisloosheid. Ik denk ook iets te weten van de noodzaak om met de moed der wanhoop alles te riskeren en met lege handen te staan. De moed der wanhoop, dat heet theologisch: vertrouwen op de genade. Vertrouwen op God, die niet genade als een eigenschap heeft, maar wezenlijk genade is. Als de heilige Dominicus praedicator gratiae wordt genoemd, dan drukt dit uit dat zijn zusters en broeders in zijn spoor Godsvertrouwen als vertrouwen op de genade beschouwen als dragende grond. Niet alleen van henzelf, maar van de wereld.

Beeldloosheid / beeldvolheid

Dat maakt ons tot buitenbeentjes in de geschiedenis van de spiritualiteit, toch een huis met vele kamers. Ik realiseerde mij dat weer eens scherp bij het lezen van het spiritueel – mystiek – dagboek van emeritus-predikante Marianne Vonkeman. Dat is gepubliceerd onder de titel Ik mis je terwijl je bij mij bent. Met mijn dominicaanse eigenwijsheid had ik al direct het gevoel dat deze titel er net naast was en had moeten zijn: ‘Ik mis je omdat je bij mijn bent’. Maar belangrijker: ik kreeg bij het lezen steeds sterker het gevoel dat wat zij ‘missen’ noemt, ik ervaar als nabijheid. Ervaar! Niet via een scherpzinnige dialectische redenering kan toepraten naar nabijheid, maar ervaar als nabijheid. Als vervulling van mijn verlangen, om niet te zeggen mijn hunkering.
De Vlaamse priester en publicist Erik Galle schreef een boek onder de titel Voorbij het beeld. Hij zegt niet langer beelden van God te willen, maar God zelf. In een min of meer openbaar gesprek dat ik met hem had – het is ogenomen en op YouTube te zien – werd duidelijk dat de verlangde beeldloosheid ruimte maakt voor verbeelding. Beeldloosheid blijkt beeldvolheid te zijn: volheid aan beelden die niet van mij of ons komen, maar beelden die God wekt. Dat je zo steeds minder weet wie God eigenlijk is en God steeds minder ondubbelzinnig aanwezig lijkt, is niet alleen toename in godskennis, maar bovendien ruimte voor presentie.
Ik weet mij zielsverwant met Erik Galle sinds ik een boek van hem las met als titel: De voorafplek. Vooraf aan wie of wat wij zijn, gaat een ruimte die de mogelijkheid geeft te zijn, ertoe uitnodigt. Het is de grond van het bestaan en tegelijk de bron van het besef nergens bij te horen, niet te passen in de beschikbare beelden van menszijn, erdoor te worden afgesneden van hetgeen waartoe jij geroepen bent. Zo onthult zich wat zo vaak geleefd wordt als vervreemding, als verborgen authenticiteit. Hiermee zijn we terug bij James Baldwin, want het essay waaruit ik citeerde heet The Artists Struggle for Integrity, de worsteling van de artist om integriteit. De enige mogelijke integriteit is het aangaan van deze worsteling en deze worsteling is de uitdrukking van het gegeven dat wij beeld Gods zijn en van de genade leven. Genade die wij ontvangen om haar te delen: alleen wat gegeven wordt, blijft genade.

Thuisloosheid

Deze reflecties zogen mij laatst Psalm 16 in. Daar wordt de ontdekking van de eigen thuisloosheid als bevrijding gezien en teken van Gods presentie. De heerschappij van wat macht lijkt te hebben, parasiteert op het leven dat het inkapselt. Dit ontdekken betekent ervan loskomen:

Tot de goden in dit land,
de machten die ik zo liefhad, zeg ik:
‘Wie u volgt, wacht veel verdriet’.
Ik pleng voor hen geen bloed meer,
niet langer ligt hun naam op mijn lippen (vers 3-4).

Het leidt tot de realisering dat de Ene ‘mijn enig bezit’ is. Omdat Hij niet te bezitten valt, is Hij ‘mijn levensbeker’, degene die ‘mijn lot in handen’ houdt (vers 5). Leven met de Ene die vrij zijn genade geeft, is leven in lieflijk land (vers 6). Want het is de bevrijding uit de dood, de verlossing ten leven, zegt de Psalmist in zijn apotheose:

U wijst mij de weg van het leven:
overvloedige vreugde in uw nabijheid,
voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde (vers 11).

Niet God als enig tegenover, maar een plek aan Gods zijde, zodat alles spreekt van Hem en het land lieflijkheid toont in plaats van dreiging. Niet God zonder beeld, maar God in de abundantie van beelden waarmee Hij zijn goedheid verbeeldt en waarmee Hij ons als gaven overlaadt. Zeker, uiteindelijk vindt ook mijn dominicaanse ziel alleen rust bij God’, zoals Psalm 62 (vers 2) zegt, maar dat is juist vanwege de veelvoudigheid van zijn genade. Zo veelvoudig dat mijn ongepaste zelf er zich in thuis kan weten en mijn ongedisciplineerde ik er de nodige ruimte vindt.

In beweging blijven

Want deze rust is stilstand noch zwijgen. Het is spreken, opdat de ontvangen genade gearticuleerd wordt en zich onderscheidt van de schijnbare gaven van de ‘goden in dit land’. En het is in beweging blijven. Jezus vergelijkt het koninkrijk van God met zuurdesem ‘die door een vrouw in drie maten meel werd verwerkt totdat het er helemaal van doortrokken was’ (Matteüs 13,33). Hierbij aansluitend vergeleek Timothy Radcliffe in zijn tweede lezing tijdens de retraite voorafgaand aan de bisschoppensynode over synodaliteit de noodzakelijke kerkvernieuwing met het kneden van brooddeeg:

Men verzamelt de randen van het deeg naar het midden en verspreidt vanuit het midden naar de rand en vult het geheel met zuurstof. Men maakt brood door het onderscheid tussen randen en centrum uit te wissen, zodat Gods brood, waarvan het centrum overal en de omtrek nergens is, ons vindt.

God is het centrum, zeker, maar het wonder is dat het centrum overal is. Een dominicaanse bijdrage aan het convent rond God en het zoeken naar nieuwe vormen van contemplatief religieus leven, zou een in deze zin gedecentreerde en decentrerende, geactiveerde en activerende contemplatie kunnen zijn.

Bijdrage van Broeder Alberic

Drie beelden

In deze presentatie kijken we naar drie beelden. Daarna volgt nog iets over Hein

Een beeld uit de bijbel

Toen Jezus
deze menigte zag
ging Hij
de berg op
en,

nadat Hij
zich had neergezet,

kwamen
zijn leerlingen
bij
Hem.

Ad Montem

We beginnen met een beeld uit de bijbel.
We zien daar een menigte.

In de menigte zie ik mijzelf.
Met de menigte ga ik achter Jezus aan.
Jezus ziet mijn menigte en – Hij gaat de berg op.

Ad montem.

Bovenop de berg gekomen gaat hij zitten.
Mijn menigte verzamelt zich aan de voet van de berg. Jezus zit boven op de berg.
Beneden, rondom de berg, verzamelt zich mijn menigte.

Wat doe ik? Daar bij Jezus wil ik zijn.
De kluwen van mijn menigte houdt mij vast, houdt mij bezig,
mijn menigte vindt het belangrijker om hier beneden te blijven.

Het bijbelverhaal gaat verder. Mensen maken zich los uit de menigte.
We zien ze de berg opgaan. Het zijn de leerlingen van Jezus.
We leren hiervan.
Leerlingen van Jezus maken zich los uit hun menigte.

Leerlingen van Jezus gaan de berg op.

Ad Montem                Om met Jezus te zijn.

Dat was het eerste beeld. We verlaten het evangelieverhaal en gaan naar 2023.
Naar Schiermonnikoog.
Naar de leefgemeenschap Ad Montem.
Naar Klooster Schiermonnikoog.
Naar het Convent Rondom God.

Niet weten

We weten
n i e t
wat
er
van
Hem
ge-
wor-
den
i
s
.
.
.

Een zwart gat

Ga de berg op. Dat is wat Ad Montem betekent. Hoe is dat anno 2023?
Anno nu is er geen menigte. Anno nu is er geen berg. Wat is er dan wel?

Er is slechts een krater. Een krater zo diep als ooit de berg hoog was. Dieper zelfs. De berg is een berg in de diepte geworden. En de duisternis in de krater is onpeilbaar en gaapt ons aan.

Mijn diepe duisternis doet mij terugdeinzen en tegelijk zuigt het mij aan.

Al mijn schreeuwen verdwijnt geluidloos in dit zwarte gat. Alle betekenis, alle zin, alle beelden worden verzwolgen. Hier klinkt slechts stilte. Zwijgen. Onverbiddelijk.

Pijnlijk .Dit ben ik. Een zwart gat. Dit is mijn krater. Er is niets van mij over.

Nog pijnlijker: ik sta hier niet alleen in. Een hand van herkenning laat het me weten: hier staan we dan. Hier vallen we.

Eindeloos.

Eén ding weten we. Jezus is hierin afgedaald. Hier, in deze peilloze duisternis.
We vallen terwijl we gedragen worden: een hand van herkenning
– van Jou uit.

Dit was het tweede beeld. Een beeld dat geen beeld is. Een beeld dat zichzelf opslokt. Zijn wij dat? Ben ik dat? Nee toch? Opgelucht verlaten we dit beeld en gaan naar de veerhaven van Lauwersoog. Frisse zeewind. Daar zien we het derde beeld. Vanaf de veerhaven zien we het eiland.

Mijn woorden

hemel
en
aarde

zullen
voorbijgaan

maar
Mijn woorden

zullen
niet
voorbijgaan

Op de horizon

Het eiland.

Het ligt op de horizon.

We bevinden ons op dit eiland.

We bevinden ons op de horizon.
Een plek waar we niet kunnen zijn.

Hier komen hemel en aarde samen
met geen andere reden om samen te verdwijnen.

Alleen de strakke lijn van de horizon blijft over.
De horizon waar alles uit ons zicht verdwijnt.

Juist daar wordt het eiland geboren.
Elk moment weer, als Gods eiland.

Hier op de horizon waar alles verdwijnt

komt dit eiland tevoorschijn.

En wij dus ook.

Een leven lang om geboren te worden
Hier op onze geboortegrond van elk moment.

Dat was het derde beeld. We gingen als leerlingen de berg op om met Jezus te zijn. We waagden ons hand in hand aan een zweefduik in ons eigen niets, tot onze verbazing gedragen door Jezus hand. Aan hemel en aarde voorbij wekken de woorden van Jezus ons tot een telkens opnieuw geboren worden uit God.

Geen enkel beeld

Kijk!
nu
gebruikt Gij
geen enkel
beeld

Zich gezien weten

Wat heeft dit alles met Hein te maken? Niets … of toch.

Als wij naar beelden kijken mankeert er aan ons blikveld niets.
Voor Hein is dat anders. Door zijn medisch verleden mist Hein een deel van zijn blikveld.

Daar waar wij beelden zien, ziet Hein geen enkel beeld.

Niets.

Dat is geen verdienste van hemzelf. Een geschenk.

Zo kan hij wel tot gids zijn.

Zelf heeft hij een gids die geheel blind is,

die geheel geen enkel beeld ziet.

Jean de Saint-Samson ziet niets

maar weet zich gezien

door God.

Rondetafelgesprek

Thema rondetafelgesprek

de toekomst van het religieus leven, toegespitst op de spirituele vormgeving van Ad Montem.

Bedoeling van de statements

verbinding leggen tussen de (wetenschappelijke) zoektocht van Hein en het initiatief Ad Montem.

Statement

Religieus leven krijgt hier en nu in Ad Montem en het Convent Rondom God een nieuw begin. Begint hier toekomst van religieus leven? “Dat het door kan gaan”? Zolang wij nog zoeken naar “waar het door kan gaan” – wat kan God dan met ons beginnen? God die onze toekomst is. In dit statement wordt gesproken over een krater. Het had ook een kruis kunnen zijn. De weg van Jezus gaat door het oog van de naald, niet eenmaal maar elk moment. Rondom God luisteren we naar wat van ons gevraagd wordt om zo die draad te worden die niets dan toekomst vanuit God zoekt. We stomen niet af op succes. We volgen wat van ons wordt gevraagd. Anders en fundamenteler gezegd: we laten ons tevoorschijn kijken.

Bijdrage van Rien Langelaar

Wat gaat hier rond?

Om te beginnen deze vraag: Wat gaat er hier toch rond, dat wij van het vaste land ons naar hier hebben begeven, dat wij zijn neergestreken in deze zo beperkt bereikbare en ook onvaste – want eigenlijk wegdrijvende – randregio? Wat toch gaat hier rond, ondanks de hoekige tafels?

Door God geraakt

Wel, alleen wie zogezegd zichzelf heeft thuisgelaten, wie het zichzelf dus toestaat om hier met andere ogen te kijken, wie het hier doorziet, eigenlijk alleen diegene ontwaart meteen wat er hier rondgaat, namelijk: dat God ook in onze huidige tijd mensen diep kan raken en verwonden. Want waarom zouden mensen de randen opzoeken, waarom anders dan om niet langer meer telkens oneigenlijk te moeten leven in wat normaal gevonden wordt: een genoeglijkheid van steeds maar om de hete brei heen draaien? Ja waarom anders de randen opzoeken dan om los van een verstopt of leeg midden juist in de kern te willen doordringen, dat is: om eens of weer eens werkelijk vol-op, vol-uit, vol-ledig te kunnen gaan leven?

Tot leven komen

Geen mens namelijk leeft ineens. Tot leven moet je komen. Leven is een weg om te gaan. En daar is moed voor nodig, daar moet je – met een oud woord – vroom voor zijn, dat is: dapper, krachtig, het hart hebben, en wel: op de juiste plaats, niet te hoog, niet te laag. Maar ja, daar tegenwoordig toe geraken: ware levensmoed, kom er eens om. Hoe moeizaam niet is nu juist dát geworden! Wat immers vroomheid heette, het zit veelal verstrikt in oude vormen en taal. En waar je het nog vindt, daar functioneert het maar al te vaak heel niet bevrijdend meer, niet verruimend, integendeel. Daar dekt het veeleer toe, werkt het sussend: je raakt er niet verder door, maar vernauwt veeleer, blijft zelfbetrokken behoudzuchtig. Wie dan ook werkelijk diep geraakt wordt, diep geraakt is, en dat ook serieus neemt, die moet bovenal volharden, ja die moet wel een lange adem hebben. Maar wie heeft die? Hoe krijg je die?

Speling

O, wat dan toch een geluk – maar nu moet ik wel even persoonlijk worden – wat een geluk, dat er het tijdschrift Speling wás! Dat is er weliswaar nog steeds, maar daar heb ik het nu niet over. Ik bedoel het ‘Speling’, waarin Hein Blommestijn schreef, ja jij dus. Want Hein, écht, jouw artikelen daarin, precies die, spiritueel gezien werkten die verademend: die brachten nieuwe lucht. Die waren niet alleen interessant en gaven te denken, maar die haalden ook overhoop, wekten zo verwondering, en voerden dan juist wél verder, geheel weg uit zelfbetrokken behoudzuchtigheid. Ja, die verruimden, want openden niet alleen zicht naar binnen, maar ook zicht naar buiten, en maakten zo wegwijs, wegwijs het leven in.

Boekaanbieding

Daarom Hein, die artikelen van jou, die verdienen nu gewoon opnieuw de aandacht. En daarom ook is daar nu een bescheiden begin mee gemaakt, namelijk: met dit boekje onder de veelzeggende titel: Openkomen voor de Liefde. Dat klinkt als een program, en dat is het ook eigenlijk: het staat voor een geestelijke beweging vanuit jou, door jou tevoorschijn gewerkt. Graag zou ik dan nu dit boekje ook willen terugleggen in waaruit  het vandaan komt: in jouw handen dus, en wel, namens velen als vooral blijk van dankbaarheid ter gelegenheid van je tachtigste verjaardag!

Bijdrage van Marian de Heer

Onbekend

Beste Hein, beste allen,

Ik zal het maar gelijk bekennen. In dit gezelschap – van hoogleraren, ervaren kloosterlingen, wetenschappers en pastores – voel ik mij een leerling. Er zit zoveel kennis, zoveel ervaring in deze ruimte bij elkaar. Dat merkte ik al bij de gesprekken gisteravond en vanochtend aan de ontbijttafel. Dat ik als jonge 30-er hier nu mag spreken, voelt wat tegenstrijdig. Wat kan ik jullie vertellen wat jullie niet allang weten, zelf hebben ervaren, allang ontdekt?

En Hein, ik ken jou nog helemaal niet lang. Los van wat emailcontact heb ik je gisteren pas voor het eerst echt gesproken. En ik moet eerlijk bekennen, tot enkele maanden terug kende ik je eigenlijk vooral als ‘JosHulsenHeinBlommestijn, de karmelieten op Schiermonnikoog’. Want dat jullie hier woonden, zo vlakbij de broeders van Klooster Schiermonnikoog, dát wist ik natuurlijk wel.

Boodschap van Leo Feyen

En wie jou wel al langer kent, is mijn collega Leo Fijen. Hij kon hier zelf vandaag niet zijn, en dus mocht ik afreizen. Mét een zware doos boeken en ook een paar woorden, die ik namens hem zal voorlezen:

Ik heb een zwak voor Hein Blommestijn. Niet vanwege de deuk in zijn hoofd, ook niet door zijn vele publicaties, maar wel omdat hij in de herfst van zijn leven voorleeft wat hij in zijn wetenschappelijke en spirituele zoektocht zo vaak heeft onderzocht. Hein laat het niet bij woorden over het avontuur met je naaste en met God, nee, hij geeft het voorbeeld door als pensioengerechtigde een nieuwe lente aan te durven. Met Ad Montem. Daarmee wijst hij de weg naar de toekomst van kerkelijk en religieus leven: de menselijke maat voor geloof op kleine plekken die weinig organisatie en hiërarchie behoeven. Tomas Halik denkt in zijn jongste boek dat dit de toekomst is van ons geloof: kloosterachtige locaties waar gasten stilte, gebed en gemeenschapszin ervaren. Hein Blommestijn heeft de genade van een 80-jarige om ons te laten delen in de genade van het geloof. Zo leert hij ons allemaal dat je ook op hoge leeftijd jong van hart kunt zijn en betekenis mag geven aan de weg van zovelen. Daarmee feliciteer ik hem, daarom heb ik als uitgever van ganser harte deze bloemlezing mogelijk gemaakt. Uit bewondering en genegenheid, omdat jij doet waar deze tijd behoefte aan heeft. Meer dan een uitlegger ben je als 80-jarige een geloofsgetuige geworden.

Dank en alle goeds, Leo Fijen

Jongerenklooster

Ik heb me zo vrij gevoeld om – als jonge leerling in dit gezelschap – toch nog wat aan deze woorden toe te voegen.

In 2018 was ik één van de eerste bewoners van het jongerenklooster. Samen met andere twintigers woonde ik twee jaar in het voormalige Abdij Sion. Op deze dag, waarbij het gaat over de toekomst van het religieuze leven, wil ik graag iets van onze ontdekkingen met jullie delen.

Wij kregen iedere vrijdag een spreker op bezoek. Dat waren stuk voor stuk mensen met een prachtige boodschap, allemaal wisten ze te vertellen hoe we God konden vinden in ons leven. En om eerlijk te zijn, het was iéts te veel, iedere keer. Pas na een half jaar kregen we voor het eerst een ‘echte kloosterling’ op bezoek, en dat bleek een verademing! Eindelijk iemand die precies leek te begrijpen met welke vragen wij worstelden in onze nieuwe kleine leefgemeenschap. Vragen waar wij als groep tegenaan liepen, en vragen waar we in onszelf tegenaan liepen. De kloosterling in kwestie wist ons te vertellen dat deze vragen heel normaal waren, dat het logisch was dat ze naar boven kwamen. Hij gaf ons een paar simpele tips, maar vooral waren we opgelucht: het ligt niet aan ons, dit hoort erbij!

Kloosterkoffers

Ik wil als voorbeeld een van mijn mede-jongerenkloosterlingen citeren, die dit heel mooi heeft geformuleerd in ons boek Kloosterkoffers:

Van jongs af aan heb ik me ingezet voor mijn geloof en medegelovigen. Ik voelde de drang om missionair bezig te zijn en begon op mijn 17e met recreatie- en evangelisatiewerk. Het activistische geloofsperspectief bracht me in beweging. In mijn geloof vond ik hoopvol levensperspectief en dat gunde ik ook anderen.

Bijbelstudies in mijn studententijd brachten me elke keer in de verlegenheid dat ik mijzelf moest spiegelen in wat het leven als discipel van mij vraagt. De actieve benadering bracht me een gevoel van druk, om mezelf keer op keer te ontwikkelen als discipel. Elke keer ontdekte ik weer een stukje dat ik moest bijschaven.

Eén van de religieuzen die bij ons op bezoek kwam in het klooster legde uit dat, ondanks het contemplatieve leven dat hij met God leeft, God nog altijd een groot mysterie voor hem is. Ik vond dit verwonderlijk. In ons leven in de maatschappij willen we toch altijd zo graag God vinden en begrijpen, en daar bedenken we dan allerlei constructies voor. Maar zo’n broeder die zijn gehele leven toelegt op het zoeken naar God, durft juist eerlijk toe te geven dat God zelfs in het contemplatieve leven niet zomaar 1, 2, 3 te vinden is. Dit perspectief op Gods grootheid gaf mij rust om God niet altijd te willen en hoeven begrijpen.

Carolien van Maanen

Zoektocht

Hopelijk geeft dit voorbeeld iets weer van onze zoektocht. De kloosterlingen die bij ons op bezoek kwamen, gaven geen kant-en-klare antwoorden. Vooral realiseerden we ons: onze vragen zijn eerder gesteld. Generaties aan mensen stelden soortgelijke vragen en zochten antwoorden. Blijkbaar horen deze vragen, deze zoektochten bij het leven.

Als voornamelijk jonge protestanten, begonnen we te proeven van de enorme diepte die de christelijke traditie heeft. In die korte twee jaar, leerden we daar wat kleine stukjes van kennen. We begonnen gezamenlijk aan te voelen hoezeer we die wortels ook nodig hadden, hoeveel we konden leren van de kennis en ervaring van zoveel eeuwen kloosterleven.

Ook vonden we in die diepe traditie wat eerste voorzichtige handvatten die helpen bij die zoektocht. Een realisatie dat we het wiel niet opnieuw hoeven uit te vinden, maar dat we mogen voortbouwen op de zoektochten van hen die ons voor gingen en gaan.

Hoopvol

Nu, in mijn werk als eindredacteur van het tijdschrift Klooster!, kom ik in veel kloosters en gemeenschappen. En iedere keer merk ik weer dat ik – als het gaat over de toekomst van het religieuze leven – eigenlijk vooral hoopvol ben. Ik zie die toekomst eigenlijk helemaal niet somber in. Misschien is dat jeugdig optimisme, en groei ik daar nog wel overheen. Maar misschien is het ook omdat ik het allebei zie. Ik zie de jonge mensen, en hoe zij vaak met veel toewijding zoeken naar zin, naar God (en dat ze ook niet altijd weten waar ze moeten zoeken). En ook zie ik de kloosters, de kloosterlingen en de ervaringen die zij hebben en delen, de enorme diepte van alle wijsheden. Het sluit op elkaar aan, de vragen van de jonge generatie en de wijsheden en ervaringen van zoveel kloosterlingen.

En dan zie ik plekken zoals hier, op Ad Montem. De nieuwe weg die jullie hier inslaan, de openheid om iets nieuws te proberen, de ontmoeting die jullie opzoeken. De christelijke traditie kent zoveel lagen, zoveel diepte, en hier op dit eiland werken jullie eraan om die diepte te doorgronden.

Hoe het religieuze leven van de toekomst er uit zal zien? Ik weet het niet. Maar die toekomst zal er zijn, daar ben ik vrij zeker over. Het gaat er komen, door samenwerking, door elkaar op te zoeken, door in gesprek te gaan, zoals jullie hier op het eiland zo mooi doen. Máár, op elke plek waar ik kom, zie ik: we hebben onze wortels nodig. Zonder die traditie, die wortels, zou ik de toekomst een stuk somberder inzien.

In gesprek gaan

Rest mij twee laatste punten. Allereerst, een zeer welgemeend dankjewel! Voor iedereen rond deze tafel, voor dit hele bonte gezelschap, en vandaag in het bijzonder voor Ad Montem. Wij jonkies hebben die wortels nodig, en jullie hier – met al jullie studie, ervaringen, vaardigheden – doorgronden al die diepe lagen.

En dan als laatste. Ik zei het al, ik voel me een leerling in dit gezelschap vol leraren. Toch voel ik me zo vrij om júllie huiswerk mee te geven:

Zoek niet alleen elkaar op, maar zoek ook ons op! Ga met de jongere generaties in gesprek. Vertel niet alleen, maar luister ook naar hun vragen. Stel ze gerust: de vragen horen er juist bij. En zelfs al heb je geen klaslokaal vol, zijn er maar een of twee jonge leerlingen, laat dat je niet ontmoedigen. Je weet maar nooit wat voor zaadje er geplant wordt, wat diegene mee zal nemen en weer uit zal dragen.

Ga vooral ook in gesprek met jonge leefgemeenschappen, al die nieuwe initiatieven die nu ontstaan. Zij hebben jullie ervaringen en wijsheden nodig, om te voorkomen dat ze opnieuw het wiel uit moeten vinden. Ook zij hebben jullie nodig!

Het is de ontmoeting tussen de generaties die de monastieke traditie levend kan houden. Zonder bronnen kunnen we immers niet zoeken naar nieuwe vormen. En zolang die ontmoetingen plaatsvinden – zoals hier op dit eiland – kan ik alleen maar concluderen dat ik hoopvol ben. Dank jullie wel.