Jacopone da Todi

Dwaas van Liefde

Leven 

Jacopo Benedetti of Jacopone da Todi is tussen 1230 en 1236 in Todi geboren. Hij is een kleurrijke franciscaan die een kleine honderd Lauda’s of gezangen heeft nagelaten, Hij is een van de grote mystieke schrijvers uit Italië en een groot dichter. Nadat zijn vrouw in 1269 in een ramp omkomt en in zijn armen sterft, leidt hij een aantal jaren een zwervend leven waarna hij 1278 franciscaan wordt. Hij kiest partij voor de kardinalen Jacopo en Pietro Colonna die in 1297 de geldigheid bestrijden van de pauskeuze van de onwaardige Bonifacius VIII die het gevolg is van intriges en omkoping. Dit kost hem 5 jaren opsluiting in een kerker, waarna hij drie jaar later in de Kerstnacht van 1306 sterft.

Kennismaking

Troubadour van de liefde

In zijn Lauda’s beschrijft Jacopone op beeldende wijze hoe de goddelijke liefde beslag legt op het menselijke hart en de mens meesleept in een wervelwind van mateloosheid. Oog in oog met God die ons hartstochtelijk bemint en ieder mens bekleedt met Zijn onvoorstelbare schoonheid, breekt ons hart uit in een jubelzang die ons ‘van minne doet zingen’. Hoe zouden wij anders kunnen! Daarom wordt Jacopone de zanger van de goddelijke liefde. Heel ons wezen spreekt van deze goddelijke Liefde. Buiten die liefde bestaat niets. Waar wij ook kijken en hoe wij ook oordelen op grond van de menselijke logica, overal zien wij Gods Gelaat en Zijn blik vol liefde. Geen mens is ooit ongewenst of overbodig. 

Overweldigd door de zoetheid

 Wanneer de liefde van God binnendringt in ons hart en haar hitte heel ons lichaam koortsig maakt, zoeken wij op alle manieren naar verkoeling. We willen het uitschreeuwen en de jubel wil gehoord worden in een liefdeslied. Maar de taal schiet tekort en onze tong struikelt over de woorden die als een vloed aan onze keel ontspringen. We zijn met stomheid geslagen, want woorden zijn slechts een povere weergave en dus een vertekening van de werkelijkheid. Toch wil deze jubel gehoord worden en lukt het ons niet hem te verbergen met het excuus dat wij slechts ‘gewone mensen’ zijn die nooit wat bijzonders overkomt. Overweldigd door de zoetheid van Gods liefde breekt deze naar buiten en willen wij ook anderen tot deelgenoot van haar maken.

Vermorzeling van het ‘ik

Steeds weer zijn wij geneigd te focussen op onze gebreken en tekorten, en vluchten we in de onbereikbare droom van een ideaal zelf. Ontevreden over onszelf blijven wij ook blind voor Gods aanwezigheid in onszelf en de ander. Toch hoeven wij slechts onze ogen te openen voor Zijn werking in alles en iedereen, zodat jubel en vreugde ons innerlijk vervullen. Heel ons wezen hangt in Hem en onze geest heeft slechts weet van Hem die ons leven is. Waar wij ook kijken, wij zien niets anders dan Zijn schoonheid die ons in verrukking brengt. Omdat alle woorden tekortschieten om het verhaal te vertellen van Zijn liefde die ons hart vervult met haar onvoorwaardelijkheid, blijft ons slechts een zwijgend schouwen van wat ons overkomt. Het ‘ik’ heeft afgedaan en blijft vermorzeld achter. Omdat het geen weet meer heeft van zichzelf.

Waanzinnig worden

Wij hebben allen weet van deze scheppende liefde van God die ons om niet tot leven roept, zodat niemand kan zeggen hiervan geen ‘ervaring’ te hebben. Het leven dat leeft in ons, is de blijvende getuigenis van de goddelijke werking die wij nauwelijks als ‘ervaring’ durven te benoemen. Bescheiden trekken wij ons terug achter de neiging om ons als kwetsbare en onvolmaakte mens buiten God te denken, omdat de gewoonte (costumanza) om naar onszelf te kijken met Zijn ogen ons te verheven lijkt. Nuchtere mensen moeten dus wel denken ‘dat je waanzinnig bent geworden’. De menselijke logica die gebaseerd is op de overlevingsdrift en het leven beschouwt als ons vanzelfsprekend eigendom, sluit zich af voor het bewustzijn van Gods levenwekkende werking waar wij geen enkel recht op hebben en die totaal buiten onze greep ligt.

Teksten

Lofzangen van de Minne

Bibliografische gegevens

Titel:Lofzangen van de Minne : Bloemlezing uit de ‘lauda’s’ van Jacopone da Todi
Auteur:Jacopone da Todi
Vertaler:Hein Blommestijn
Bron:
Titel:Laude : a cura di Franco Mancini
Auteur:Iacopone da Todi
Vertaler:Franco Mancini
Jaar:marzo 2006
Plaats:Roma – Bari
Uitgever:Editori Laterza
ISBN:88-420-7970-7

Samenvatting

Jacopone da Todi heeft 92 lauda’s of lofzangen nagelaten in het Italiaans van de dertiende eeuw. Twaalf van deze lofzangen hebben we hier geselecteerd en vertaald. In deze gedichten beschrijft Jacopone zijn persoonlijke ervaring met de goddelijke liefde.

Jubel van het verliefde hart

0 jubel uit het hart,
die van minne doet zingen!

Wanneer de jubel zich verhit,
doet hij de mens zingen;
de tong stottert,
en weet niet wat te zeggen;
in zijn binnenste kan hij hem niet verbergen,
zo groot is de zoetheid!

Wanneer de jubel ontbrand is,
doet hij uitroepen slaken;
het hart is zo in liefde ontstoken
dat het haar niet kan verdragen;
gillend moet hij schreeuwen,
maar schaamt zich er niet voor.

Wanneer de jubel in beslag heeft genomen
het verliefde hart,
lachen de mensen het uit,
als ze acht slaan op zijn spreken,
dat zich uitdrukt zonder maat
over de gloed die het voelt.

O jubel, zoete vreugd,
die innerlijk in de geest is!
Het hart wordt zo wijs,
zijn staat te verbergen;
het kan niet vermijden
dat het klaagt hardop.

Wie er geen ervaring mee heeft
denkt dat je waanzinnig bent geworden,
bij het zien van jouw vreemd gedrag
als van een mens die ijlt.
Innerlijk is het hart gewond,
uiterlijk merkt men niets.

(Lauda 9, pp. 38-39)

Hemelen van de armoede

O liefde tot de armoede,
koninkrijk van rust!

Armoede is een zekere weg,
die strijd noch bezorgdheid kent,

voor geen dief bevreesd
noch voor enig noodweer.

Armoede sterft in vrede,
geen testament maakt zij,

zij schenkt de wereld zoals die is
en de volken zijn eensgezind.

Zij heeft rechter noch notaris nodig,
zij geeft haar geld niet uit aan de rechtbank,

zij lacht om de gierigaard
die zoveel angst uitstaat.

Armoede, hoge wijsheid,
aan geen ding onderworpen

en in verachting bezit je
alle geschapen dingen.

Wie veracht, bezit zichzelf;
door het bezit schaadt hij zich niet;

niets pakt hem bij de benen
zodat hij zijn weg niet aflegt.

Wie begeert, wordt bezeten,
hij heeft zich verkocht aan wat hij mint;

bij de gedachte aan wat hij ontvangen heeft,
denkt deze mens dat hij meer had verdiend.

Mijn hart is te laf
om zich in dienst te stellen,

de gelijkenis met God die ik bezit,
verlaag ik tot ijdelheid!

God houdt geen verblijf in een eng hart;
hij is zo groot, als je liefde bezit.

Armoede heeft zo’n groot hart
dat de Godheid er verblijf houdt.

Armoede is een verborgen hemel
voor wie op aarde in duisternis is.

wie boven in de derde hemel is binnengegaan
bemerkt de geheimzinnige diepte.

De eerste hemel is het firmament,
ontbloting van alle aanzien;

dat levert een grote belemmering
om veilige rust te vinden.

Om het aanzien in jou te doen sterven,
ban alle rijkdommen uit,

breng de wetenschap tot zwijgen
en ontvlucht de faam van heiligheid.

De rijkdommen doen tijd verliezen,
wetenschap gaat op in wind,

de faam herbergt en ontvangt
de huichelarij van alle kanten.

Wie van deze drie ontbloot is,
lijkt me een sterrenhemel.

Ziehier een andere versluierde hemel,
heldere wateren gestold.

Vier winden bewegen de zee,
die de geest in verwarring brengen;

de vrees en de hoop,
de smart en de vreugde.

De ontbloting van deze vier
is moeilijker dan van de eerste drie;

wat ik zeg, lijkt een dwaling
voor wie het niet kan begrijpen.

De hel vrees je niet
noch hoop je op de hemel

en over het goede verheug je je niet
noch treur je om tegenslag.

De deugd heeft geen waarom
want het waarom ligt buiten jou;

altoos blijft hij je onbekend
om je zwakheid te genezen.

Als de deugden naakt zijn
en de ondeugden onbekleed,

ondergaan ze dodelijke verwondingen
en vallen gewond ter aarde.

Nadat de ondeugden dood zijn,
zijn de deugden verrezen,

gesterkt door het hof
van alle onbewogenheid.

De derde hemel is op grotere hoogte,
hij kent grens noch maat,

buiten de verbeelding
met de fantasie afgestorven.

Van alle goed heeft hij je ontbloot
en de deugd onteigend;

zijn winst wordt je tot schat
juist in je geringheid.

Deze hemel is gebouwd,
in een niets is hij gefundeerd,

waar de gezuiverde minne
leeft in de Waarheid.

Wat het je leek, zo is het niet,
zozeer bevindt zich in de hoogte wat het is;

de Trots bevindt zich in de hemel
en de Nederigheid wordt veroordeeld.

In het spel tussen de deugd en de daad
horen velen de uitroep: ‘Schaakmat’!;

degene die denkt een goede overeenkomst gesloten te hebben
bevindt zich echter in het land van een ander.

Deze hemel draagt de naam Neen
(de tong is afgesneden van de bevestiging),

daar waar de Minne zich bevindt in het gevang
in dat verduisterd licht.

Alle licht is in duisternis
en in alle duisternis is het dag;

de nieuwe filosofie
heeft de oude zakken kapot gemaakt.

Daar waar Christus geënt is,
is al het oude afgesneden,

de een en de ander omgevormd
in een wonderbare eenheid.

Minne leeft zonder gevoel
en de Wijsheid zonder verstand;

de wil van God hebben ze gekozen
om tot hun eigen wil te maken.

Te leven ik in niet ik
en mijn wezen in mijn niet wezen!

Dit wijkt zo af
dat ik er geen definitie van ken.

Armoede is niets hebben
en vervolgens niets willen

en alles bezitten
in geest van vrijheid.

(Lauda 36, pp. 121-125)

Werking van de goddelijke Minne

O Minne, goddelijke Minne,
Minne die niet bemind wordt!

Minne, jouw vriendschap
is vol vreugde;

nooit vervalt in droefheid
het hart dat je voor het eerst geproefd heeft.

Minne die ten volle mint,
Minne die wegvaagt,

Minne die bewaart
het hart dat jou heeft geherbergd!

O schitterende wonde,
heerlijke wonde,

wonde vol vreugde,
voor wie door jou gewond is!

Minne, waarlangs kwam je binnen,
dat je op zo verborgen wijze binnenslipte?

Met geen teken liet je zien
hoe je binnen was gekomen.

O beminnenswaardige Minne,
aangename Minne,

Ondenkbare Minne
boven iedere gedachte!

Minne, goddelijk vuur,
Minne van glimlach en grap,

Minne, je geeft niet weinig,
omdat je mateloos rijk bent.

Minne, aan wie wijd je je?
aan verachtelijke personen;

en je verwaarloost grote heren,
want met hen wil je niet handelen.

Zo’n mens blijkt, zo te zien,
nog geen stuiver waard,

dat jij je, bijna als stro,
ter beschikking stelt van hem.

Wie je meent te bezitten
en door zijn kennis te hebben,

in zijn hart kan hij niet voelen
wat jou smaken betekent.

De verworven kennis
veroorzaakt een dodelijke wonde,

als zij niet bekleed is
met nederigheid van hart.

Minne jouw meesterschap
geeft vorm aan het verlangen,

en onderwijst het evangelie
door jouw beknopt onderricht.

Minne, die altijd brandt
en aan jou toegewijde harten doet ontbranden,

maak hun tongen tot pijlen
die ieder hart doorboren.

Minne, jouw vrijgevigheid,
Minne, jouw adel,

Minne, jouw rijkdom,
die alle verbeelding overstijgt.

Minne om niet geschonken,
heerlijke Minne,

zoete Minne,
die het hart hebt verzadigd!

Minne, die de kunst onderwijst,
die ons de partij doet winnen;

de hemel geef je als waarborg,
en jezelf gaf je als onderpand.

Minne, trouwe gezel,
Minne, die slecht wordt vergolden,

doe me baden in tranen,
die mijn zonden afwassen.

Zoete en zachte Minne,
van de hemel, Minne, ben je de sleutel;

naar de haven leid je het schip
en je doet het aan de storm ontsnappen.

Minne, die licht geeft
aan alle lichtende elementen,

het licht is geen licht,
het is slechts belichaamd lichtschijnsel.

Verlichtend licht,
onthullend licht,

wie niet in jou verlicht is,
bereikt niet het licht dat ten volle mint.

Minne, jouw uitwerking
verlicht het verstand;

toon het zijn voorwerp,
namelijk de beminde minnaar.

Minne, opdat jouw liefdegloed
mijn hart doet ontvlammen,

verenig het door liefde
met zijn mensgeworden voorwerp.

Minne, geborgen leven,
rijkdom zonder zorgen,

langer dan tot in eeuwigheid duur je
met betrekking tot hem die meer dan mateloos is.

Minne, die vorm geeft
aan alles wat vorm heeft,

jouw vorm hervormt
de mens die misvormd is.

Minne zuiver en rein,
Minne verstandig en gelukkig,

Minne hoog en diep
voor het hart die zich jou gegeven heeft.

Vrijgevige en hoffelijke Minne,
Minne die vorstelijk onthaalt,

Minne, aan een goed gedekte tafel
doe je degene aanzitten die je is toevertrouwd.

De stinkende wellust
is verdreven uit mijn geest,

hij is getooid met de zuiverheid
van een stralende kuisheid.

Minne, je bent die haak,
waarmee het hart je mint;

verlangd wordt met grote honger en dorst
jouw hartstocht.

Goddelijke hartstocht,
voor ziekten geneesmiddel!

Jij heelt iedere ziekte,
hoe ernstig ook.

O overmoedige tong,
hoe heb je gedurfd

je zozeer bloot te geven,
en over zo’n staat te spreken?

Welnu bedenk wat je hebt gezegd
over de gezegende Minne;

Iedere tong blijft in gebreke,
die over haar heeft gesproken.

Ook al was het een engelentong,
die tot dat grote koor behoort,

sprekend van zo’n liefdesuiting,
begint ze te stotteren en te slissen.

Dus hoe kan het dat je je niet schaamt
hem in je zang te willen verheffen?

Je bereikt het niet hem te bezingen,
‘die je zelfs uitgescholden hebt’.

Ik kan je niet gehoorzamen
dat de Minne verzwegen moet worden;

De Minne wil ik verkondigen
totdat ik mijn laatste adem uitblaas.

Dit is geen situatie
die zich als redelijk aandient,

dat je de tijd kunt doorbrengen
zonder dat de Minne verkondigd wordt.

Tong en hart roepen uit:
Minne, Minne, Minne!

Wie jouw zoetheid verzwijgt,
zijn hart moge barsten.

En ik geloof dat zou barsten
het hart dat je zou smaken;

als het de Minne niet zou verkondigen,
het zou barsten door verstikking.

(Lauda 39, pp. 122-127)

Belegering door de Minne

O Minne, goddelijke Minne,
waarom heb je me belegerd?
Je leek gek geworden van mij,
je kunt van mij geen afstand doen.

Van vijf kanten zie ik
dat je me belegerd hebt:
het gehoor, het gezicht, de smaak,
het gevoel en de reuk.
Als ik uitga, word ik gevangen genomen,
ik kan me niet voor jou verbergen.

Als ik uitga via het gezicht,
word ik verliefd op wat ik zie;
in iedere vorm is het geschilderd
en in iedere kleur;
laat me dan zien
dat ik je moet herbergen.

Als ik uitga via de deur
om te rusten in het gehoor,
wat betekent de klank?
Hij roept je op, Sire.
Hierdoor kan ik niet uitgaan,
ik word verliefd op wat ik hoor.

Als ik uitga via de smaak,
iedere smaak roept je toe:
‘Minne, goddelijke Minne,
zeer begerenswaardige Minne,
O Minne je hebt me aan de haak geslagen
omdat je in me wilt heersen’.

Als ik uitga via de deur
die reuk genoemd wordt,
in alle schepselen
vind ik je gevormd;
gewond keer ik terug,
jij maakt je meester van me door de reuk.

Als ik uitga via de deur
die gevoel genoemd wordt,
in alle schepselen
vind ik je uitgetekend;
O Minne, hoe dwaas ben ik
je te willen ontsnappen?

O Minne, ik vlucht weg
om je mijn hart niet te geven,
ik zie dat jij je omvormt in mij
en dat je me gelijk maakt aan de Minne,
zodat ik niet langer besta
en mezelf niet meer herken.

Als ik het kwaad in de mens zie:
gebrek of bekoring,
vereenzelvig ik me ermee en
kwelt het mijn hart.
O mateloze Minne,
wie is gegrepen om te minnen?

Je maakt je meester van me in de gestorven Christus,
je trekt me uit de zee naar de kust;
daar kwel je me
met het zien van je verwonde hart;
en waarom heb je dat geleden?
Omdat je me wilde genezen.

(Lauda 41, pp. 134-135)

Armoede bezit al wat bestaat

Verliefde armoede,
groot is jouw hoogheid!

Mij behoort Frankrijk en Engeland,
midden in zee bezit ik een groot land

(geen oorlog beweegt me,
integendeel ik houd haar in m’n macht).

Mij behoort het land van Saksen,
mij behoort het land van Gascogne,

mij behoort het land van Bourgogne
met geheel Normandië.

Mij behoort het Duitse rijk,
mij behoort het rijk van Bohemen,

Ierland en Dacië
Schotland en Friesland.

Mij behoort het land van Toscane,
mij behoort het dal van Spoleto,

mij behoort het grensland van Ancona
met geheel Slavonië.

Mij behoort het land van Sicilië,
Calabrië en het vlakke Apulië,

Campanië en het Romeinse land
met geheel de vlakte van Lombardije.

Mij behoort Sardinië en het rijk van Cyprus,
Corsica en dat van Creta;

talloze volken overzee,
van wie ik niet weet waar ze zich bevinden.

Meden, Perzen en Elamieten,
Jacobieten en Nestorianen,

Turken en Etiopiërs,
India en Barbarije.

De landerijen heb ik gegeven
aan de lijfeigenen om te bewerken;

van jaar tot jaar zie ik af van de opbrengst
zo groot is m’n vrijgevigheid.

Land, gewassen met hun kleurrijke bloemen;
bomen, vruchten vol smaak,

de dieren staan me ten dienste,
allen op mijn stuk land.

Wateren, rivieren, meren en zeeën,
visjes die erin zwemmen,

lucht, wind, vliegende vogels,
allen doen me feesten.

Maan en zon, hemel en sterren
zijn voor mij geen onbelangrijke schatten;

boven de hemelen bevinden deze zich
waarvan ik zing.

Nadat God mijn wil heeft,
bezitter van alles, wat dan ook,

hebben m’n vleugels zoveel veren
dat er voor mij geen weg is van de aarde naar de hemel.

Nadat m’n wil aan God gegeven is,
ben ik bezitter van al wat bestaat;

in minne ben ik omgevormd,
vrijgevigheid voortvloeiend uit minne.

(Lauda 47, pp. 149-151)

Christus dronken van liefde

O beloning, sla acht op de prijs,
als je je wilt bedrinken;
want de prijs heeft zich bedronken
aan jouw hartstochtelijke liefde.

Want jouw dronken prijs
is van de hemel afgedaald naar de aarde!
Nooit dom geacht,
de Koning van het paradijs:
waarmee is hij zich gaan vergelijken
en tot hoe hoge prijs is hij bereid?

Sla acht op deze schat,
waarmee God de Vader ons bekleed heeft;
engelen, tronen, heerschappijen
verbazen zich het te horen;
het woord van God oneindig
heeft zich aan de dood uitgeleverd om me eruit te trekken!

Hemel en aarde verbazen zich,
de zee en alle schepselen:
om de strijd met mij een goede uitkomst te geven,
heeft God mijn natuur aangenomen;
de hoogmoed van mijn hoogheid
schaamt zich zich te vernederen!

O dronkenschap van Minne,
hoe wilde je dat bereiken?
Om mij zondaar te verlossen,
heb jij je aan de dood uitgeleverd!
Ik kan niet anders dan gek worden,
nadat jij het me hebt willen onderwijzen .

Nadat de wijsheid van God
waanzinnig is geworden van liefde,
wat doe je, o wijsheid van mij?
Wil je je Heer niet meer achternagaan?
Je kunt geen grotere eer verwerven
dan in zijn waanzin te doctoreren.

O hemels paradijs,
je draagt de doornenkroon;
je bent tot bloedens toe geslagen,
om jezelf als geneesmiddel te geven;
mijn ziekte is ernstig geweest,
zoveel kost het mij te genezen!

Geen lidmaat ziet er meer mooi uit
daar het hoofd zo met doornen gekroond is,
dat het de geseling niet voelt
van het mishandelde hoofd;
ik zie mijn Heer aan het kruis genageld
en ik wens hem te troosten!

O mijn Heer, je bent naakt
en ik heb overvloed aan kleren;
niet mooi zie je eruit, in dit spel,
ik verzadig me en jij lijdt honger;
jij staat te schande
en ik zie uit naar eer!

Arme Heer en bedelaar,
voor mij heb jij je zeer uitgesloofd;
en ik ben een misdadige zondaar,
rijk, vet en in uitstekende vorm;
dit verschil lijkt me niet juist:
ik in rust en jij in kwelling.

O mijn Heer zonder land,
huis of pachtgoed,
de gedachte beklemt me zeer
dat ik afgedwaald ben van jouw weg;
ik bega een grote misdaad
jou niet te willen volgen.

Welnu verzaak, ziel van mij,
aan alle vertroosting;
de kwelling zij je tot vreugde,
schande en alle tegenspoed;
en dit zij jouw verblijfplaats,
het sterven in kwellingen.

O grote prijs, die overstijgt taal,
gezicht en gehoor, en door geen hart te vatten!
Mateloosheid heerst in jou,
waar je iedere eigen werking verniet hebt.
Het Verstand blijft buiten
waar de liefde Pasen houdt.

Nadat het Verstand gevangengenomen is
door de grote mateloosheid,
vliegt de Minne naar haar bestemming,
en doet haar verlangen opklimmen;
terwijl de Minne de Overvloed omhelst,
overvalt haar de Schrik.

De Schrik plaatst een rem
op de onstuimige Minne;
uit eerbied kalmeert zij zich,
en matigt zich niet aan hoger te gaan;
de wil van God wordt in hem gestort
want zijn eigen wil verniet zich.

Nadat de mens verniet is,
wordt een oog geboren om te zien;
nadat hij deze mateloze prijs
begint te ervaren,
kan door geen tong beschreven worden
wat hij ervaart in deze staat. 

(Lauda 48, pp. 152-155)

Duistere tijden in de kerk

Zal nu blijken wie geloof zal hebben?
De verschrikking die voorspeld is,
zie ik overal donderen.

De maan is donker, de zon verduisterd,
ik zie de sterren van de hemel vallen;
De oude slang blijkt vrij gebroken,
heel de wereld zie ik hem volgen:
de wateren heeft hij overal verzwolgen,
de rivier de Jordaan hoopt in te slikken
en te verslinden het volk van Christus.

De zon is Christus, die niet in beweging komt
om zijn dienaren kracht te geven:
wij zien geen wonderen om te ondersteunen
het geloof van het volk;
kritisch reageren boosaardige mensen,
smadelijk en slecht spreken ze erover:
al geven wij de reden aan, we kunnen ze niet overtuigen.

De maan is in Christus de verduisterde kerk,
die ’s nacht de wereld verlicht,
paus en kardinalen in hun leidersrol,
het licht is veranderd in duisternis,
heel de geestelijkheid
is teugelloos en neemt de weg van het bederf.
O Heer God, wie zal kunnen ontsnappen.

De sterren die van de hemel zijn gevallen,
het geheel van de religieuzen:
velen zijn van de weg afgeweken,
om de gevaarlijke weg te nemen;
de wateren van de zondvloed zijn gestegen,
hebben de bergen bedekt, alles overstroomd.
Help God, help te zwemmen!

Heel de wereld zie ik verscheurd,
en zich in de ondergang storten:
zoals de mens is zij gek geworden,
er kan geen geneesmiddel voor gegeven worden,
de artsen zijn wanhopig geworden,
omdat betovering noch leer helpt,
we zien haar in de uiterste doodsangst komen.

Ik zie alle mensen het merkteken dragen
van de oude slang,
en in drie partijen zijn zij verdeeld:
wie aan de ene ontsnapt is, zal door de ander ten onder gaan.
De gierigheid is in het strijdperk getreden,
velen heeft zij verslagen en gedood
weinigen zijn overgebleven die tegenstand willen bieden.

Als iemand kan ontsnappen aan deze confrontatie,
dan treft hem de pijl van het weten:
de wetenschap blaast op en maakt trots,
minacht de anderen die men voor zich heeft,
de zonden van de anderen worden geteld,
de zijnen houdt hij achter zich om ze niet te zien:
zij willen veel zeggen en niets doen.

De weinigen die ontsnapt zijn
aan deze pijnlijke banden,
worden in de boeien geslagen door een andere valstrik:
zij laten zich bedriegen met tekenen van heiligheid,
doen wonderen, verrichten genezingen,
zij zijn verzot op spreken in extase en profetieën:
als iemand daaraan ontsnapt, kun je God wel lofprijzen!

Wapen je, mens, want de tijd verstrijkt
dat je kunt ontsnappen aan deze dood:
want geen (dood) was ooit zo hard;
de heiligen hebben zeer grote angst
om dat lot te ondergaan;
je veilig wanen lijkt dwaas!

(Lauda 6, pp. 28-30)

Ware en valse liefde

 

Ik zou willen vinden die bemint,
velen vind ik die het roepen.

Ik geloofde bemind te worden,
maar ontdek bedrogen te zijn, 

kijkend naar de toestand
omdat de mens zichzelf bemint.

De mens bemint mij niet,
bemint slechts wat me toebehoort:

maar goed  kijkend,
zie ik dat hij me valselijk bemint.

Als ik rijk en machtig ben,
word ik bemind door mensen,

teruggekeerd tot niets,
laat iedereen me vallen. 

Dus, de bezitter wordt bemind,
zodat ik gehaat word:

maar het een dwaas geweest
die zo’n gedachte koestert.

Ik zie de adel,
die geen eigendom bezit,

terugkeren naar een verachtelijke staat,
ieder mens noemt het ongegronde pretentie.

De mens die ergens toe dient,
wordt door velen bemind:

maar als hij ongeneeslijk ziek is,
laat iedereen hem vallen.

De mens die gezond is,
ondervindt grote vriendschap:

De mens wil je beminnen,
wanneer het nut kan hebben:

Als je niet tevreden kunt stellen,
ontnemen ze jouw goede naam.

Ik ontvlucht de valse liefde,
die me niet aan het hart gaat;

ik keer terug naar de Heer,
die waarlijk bemint.

(Lauda 5. pp. 26-27)

Waanzinnig worden om Christus

Wijsheid lijkt het me en genade
waanzinnig te worden om de mooie Messias.

Het lijkt me waarlijk een blijk van grote wijsheid
als iemand om God waanzinnig wil worden,

in Parijs ziet men niet
zo grote filosofie.

Wie om Christus waanzinnig is geworden,
lijkt gekweld en gepijnigd,

maar hij is een leermeester, gedoctoreerd
in de natuur en in de theologie.

Wie voor Christus waanzinnig wordt,
lijkt gek aan de mensen;

Wie deze ervaring niet gehad heeft,
lijkt het een ontsporing.

Wie deze leerschool wil binnengaan,
zal een nieuwe leer ontdekken;

wie deze waanzin niet ervaart,
weet nog niet wat goed is.

Wie zich in deze dans wil scharen,
vindt mateloze minne;

honderd dagen aflaat
voor wie hem uitjouwt.

Wie op zoek gaat naar eer,
is Zijn liefde niet waardig,

want temidden van twee dieven
hing Jezus op het kruis.

Wie op zoek gaat naar smaad,
het lijkt goed dat hij het snel bereikt;
hij gaat niet meer naar Bologna
om een ander meesterschap te leren.

(Lauda 87, pp. 315-316)

Verwond door Christus' Liefde

Liefde van minne, waarom heb jij me zo verwond?
Heel mijn hart is verdeeld, en brandt door liefde.

Brandt en vat vlam, komt niet tot rust,
kan niet vluchten, omdat het vastgebonden is,
zo verteert zoals was in de hitte,
liefde levend, kwijnt vloeibaar geworden,
vraagt om een beetje te kunnen vluchten
maar in de vuuroven vond het zich geplaatst.
Ach, hoe ben ik gebracht tot zo’n sterk kwijnen?
zo leven is sterven, zozeer stijgt de hitte.

Voordat het dit ondervond, vroeg het
Christus te beminnen, gelovend dat dit zoetheid zou geven;
het dacht in de vrede van zoetheid te blijven,
buiten alle pijn in het bezit van het hoogste.
ik ondervind de kwelling, die ik me nooit had voorgesteld,
dat mijn hart zo door hitte verscheurd zou worden.
Ik kan geen voorstelling geven van wat ik erop zie gelijken,
dat ik sterf in genieting en leef zonder hart!

Ik heb mijn hart verloren en alle begrip daarvan,
wil en gevoel en alle besef,
iedere schoonheid lijkt mij vieze modder,
genoegens samen met rijkdommen zijn verloren gegaan.
Een boom van liefde met rijke vrucht
is in mijn hart geplant, geeft mij voedsel,
zodat zonder uitstel zo’n verandering in mij gebeurt,
die alles gooit buiten de wil, het begrip en de kracht.

Om deze Liefde te verwerven heb ik alles prijsgegeven,
de wereld en mijzelf, alles ingeruild;
als alles van mij was wat geschapen is,
zou ik uit Liefde het onvoorwaardelijk geven;
toch ben ik door de Liefde bijna bedrogen
dat ik alles gegeven heb, maar niet weet waarin ik ben terecht gekomen;
door Liefde ben ik vernietigd, voor gek word ik gehouden,
maar, omdat ik verkocht ben, is er in mij geen kracht meer.

Misleidend zijn de mensen (vrienden die buiten mij staan)
die mij terugroepen van deze weg;
maar wat gegeven is, meer kan niet gegeven worden,
evenmin kan een slaaf zijn meester ontvluchten;
gemakkelijker is het dat een steen week zou worden
dan de Liefde, die mij in de greep houdt.
Mijn hele wil staat in brand van Liefde,
verenigd, omgevormd; wie zal hem scheiden van de Liefde?

Vuur noch ijzer kunnen ons van elkaar losmaken
(men splijt iets niet dat zo ééngeworden is},
pijn noch dood kunnen opklimmen
tot de hoogte waar hij ontrukt is aan zichzelf;
onder zich ziet hij alle dingen voortgaan.
boven alle bevindt hij zich opgeklommen!
Ziel, hoe ben jij zo hoog geklommen om dit goed te bezitten?
Christus, van wie jij het krijgt, omarmt jou met zoetheid.

Daar kan ik geen schepsel zien,
roept heel mijn geest luid tot de Schepper;
hemel noch aarde geven mij zoetheid,
door Christus is iedere liefde voor mij afschuwelijk.
Het licht van de zon lijkt mij duister,
bij het zien van zijn lichtend gelaat;
de cherubijnen hebben geen schoonheid meer om te contempleren,
de serafijnen om te beminnen, voor wie de Heer ziet.

Laat dus niemand meer de draak met mij steken,
als een dergelijke Liefde mij als een gek doet voortgaan.
Daar is geen hart meer dat zich nog verdedigt,
het is zo in de greep van de Liefde, dat het nog kan vluchten;
Laat ieder bedenken hoe dit hart niet verscheurt,
hoe het een dergelijke vuuroven kan verdragen.
Als ik een ziel zou kunnen vinden die mij zou begrijpen
en medelijden met mij zou hebben, omdat mijn hart verteerd wordt!

Want hemel en aarde roepen luid en smeken altijd
met alle dingen, dat ik moet beminnen.
Ieder van hen zegt: “Bemin met heel je hart
de Liefde die ons heeft gemaakt, haast je haar te omhelzen!
Omdat deze Liefde jou begeert
heeft zij alle dingen gemaakt om jou tot zich te trekken”.
Ik zie haar goedheid en vriendelijkheid zo overvloeien
van dat liefdevolle licht, dat zij zich naar buiten !uitgiet!

Ik wil meer beminnen als dat meer zou kunnen,
maar mijn capaciteit weet niet hoe nog meer te beminnen,
meer dan mij te geven (met datgene wat ik zou willen)
kan ik niet, dat is ongetwijfeld zeker;
Alles heb ik gegeven, opdat ik zou bezitten
deze Minnaar die mij zozeer vernieuwd.
Schoonheid oud en nieuw, van het moment af dat ik jou heb gevonden,
o onmetelijk licht met zo’n heerlijke glans!

Bij het zien van zo’n schoonheid word ik zo getrokken
buiten mijzelf, dat ik niet weet waar dit mij brengt;
mijn hart smelt zoals was die vloeibaar wordt,
het beeld van Christus herkent het in zichzelf;
Zo’n grote ruil werd nooit gevonden,
door zich te bekleden met Christus wordt alles hem ontnomen;
Omgevormd roept het hart luid uit dat het de Liefde ervaart,
de geest wordt verniet, zoveel zoetheid ervaart het!

Vastgebonden is de geest met genietingen
waarnaar zij zich helemaal uitstrekt om ze te omarmen,
en, hoe meer zij schouwt de schoonheden
van Christus, des te meer werpt dit haar buiten zichzelf
in Christus ieder vermogen met rijkdommen;
van zichzelf kan zij reeds geen herinnering bewaren,
en niet meer voor zichzelf willen noch zorgen,
vanaf het ogenblik dat zij de greep verliest, ieder besef van zichzelf.

In Christus omgevormd, is zij bijna Christus,
met God verenigd is zij geheel goddelijk.
Boven iedere hoogte kan zij beschikken over zo’n groot bezit,
en heel haar wezen is koningin van Christus!
Hoe kan zij dan ooit weer droevig zijn,
smekend om een geneesmiddel voor haar schuld?
er is geen poel meer waar de zonde zich bevindt;
de oude is weggesneden, gezuiverd van iedere stank.

In Christus geboren als nieuw schepsel,
ontdaan van de oude mens, nieuw gemaakt!
Maar op dat punt neemt de Minne vurig toe,
het lijkt dat het hart doorkliefd wordt  met een mes;
deze hitte van liefde richt het verstand te gronde,
Christus trekt mij geheel tot hem, zo mooi is Hij!
mij vast drukkend tegen hem en uit liefde schreeuw ik uit:
“Minne, naar wie ik zo smacht, doe me sterven van liefde!

Om jou, Minne, kwijn ik weg en word verteerd
en ik schreeuw erom jou te omarmen;
wanneer jij weggaat, sterf ik levend,
ik verlang heftig en weeklaag om jou terug te vinden;
wanneer jij terugkeert zal mijn hart zich naar jou uitstrekken,
opdat het in jou geheel omgevormd kan worden;
talm dus niet langer, Minne, kom me daarom te hulp,
houdt mij vastgebonden, verteer mijn hart!

Sla acht, zoete Minne, op mijn smart,
zoveel hitte kan ik niet doorstaan!
De Minne heeft mij gegrepen, ik weet niet hoe ik er aan toe ben,
wat ik doe of zeg daarvan kan in me niet bewust zijn.
In verwarring ga ik de weg,
vaak ben ik vol angst door het hevige smartelijk verlangen.
Ik weet niet hoe ik een dergelijke kwelling langer kan uithouden,
die terwijl zij mij voeding geeft, mijn hart wegrooft.

Mijn hart is van me geroofd, maar ik kan niet zien
wat mij te doen staat of wat ik vaak aan het doen ben;
en, degene die mij ziet, zegt dat hij wil weten
of liefde zonder daad aan jou, Christus, behaagt.
Als dit jou niet behaagt, wat kan ik dan waard zijn?
Zozeer trekt de Minne mijn geest tot zich
dat als zij mij in haar armen klemt,
mij het spreken, willen en  handelen ontneemt,
ik  alle waarnemingsvermogen verlies.

Ik wist te spreken en nu ben ik sprakeloos gemaakt;
Ik zag en nu ben ik blind geworden.
zo grote afgrond werd nooit gezien,
zwijgend spreek ik, ik vlucht en ben vastgebonden;
afdalend klim ik op, ik houd vast en word vastgehouden,
buiten ben ik binnen, ik jaag weg en word weggejaagd.
Liefde zonder maat, waarom laat jij mij gek worden
en in een vuuroven sterven met zo hevige hitte?”

“Laat deze liefde mij regelen, jij die mij bemint;
er bestaat geen deugd zonder ordening te vinden!
Jij verlangt zo vurig naar mij, wat dan nog te vinden
(deze geest is met deugd vernieuwd),
om mij te beminnen wil ik dat jij inroept
de minne, hoe zij ook geordend is.
Een boom wordt goed geacht op grond van de vrucht,
welke van ieder ding de hele waarde aantoont.

Alle dingen die ik geschapen heb,
en die gemaakt zijn in aantal en maat
en die alle geordend zijn op hun doel,
bewaren door deze ordening die waarde;
en nog veel meer wordt de minne
geordend in haar natuur.
Dus, met deze hitte, ziel, ben jij gek geworden?
Buiten de ordening ben jij gegaan, jij matig je niet in jouw ijver”.

“Christus, die mijn hart doorboord hebt
jij zegt dat op de minne jij de geest ordent:
vanaf het moment dat ik in jou ben omgevormd,
hoe zou dan wat van mij overbleef, daarbij passen?
Zoals ijzer dat geheel en al gloeiend is,
de lucht die door de zon hel verlicht is,
hun vorm verliezend zijn zij in een andere gedaante,
zo wordt de zuivere geest door jou bekleed, Liefde.

Maar, vanaf dat hij zijn hoedanigheid verliest,
kan hij niet meer uit zichzelf handelen;
hij heeft vermogen zoals hij gevormd is,
handelt wel met de vrucht die hij kan produceren:
dus, als hij in waarheid is omgevormd
in jou, Christus, dan is beminnen zoet,
aan jou kan geweten worden, niet aan mij, dat wat ik doe;
evenwel, als ik jou niet behaag, behaag jij niet aan jouzelf, Liefde.

Dit weet ik goed dat, als ik gek geworden ben,
Jij, hoogste Wijsheid, dan heb jij mij zo gemaakt:
En dat was vanaf het ogenblik dat ik gewond was
en toen ik met de liefde geruild had,
dat ik, me ontblotend, werd bekleed met jou,
ik weet niet hoe ik getrokken werd tot het nieuwe leven;
geheel verniet in mezelf ben ik nu door de liefde sterk,
de poorten zijn vernield en ik ben uitgeleverd aan jou, Liefde.

Waarom bracht jij mij naar zo’n vuuroven,
Als jij wilde dat ik zou zijn in matigheid?
Terwijl jij je  zo zonder maat aan mij gaf,
ontnam jij mij iedere maat,
omdat kleinheid mij voldoende zou zijn,
houdt jij je groot met overmacht;
daarom, als er gebrek is, Liefde, dan is die van jou, niet de mijne,
deze weg heb jij echter gemaakt, Liefde.

Jij hebt je niet verdedigd tegen de liefde,
van de hemel heb jij haar doen komen op aarde;
Liefde, naar zo’n laagte ben jij afgedaald,
want geheel veracht ging zij door de wereld;
huis noch landerijen wil jij meer:
(zo’n armoede om ons rijk te maken!).
In het leven en in het sterven toonde jij met zekerheid
mateloze liefde die het hart in brand zet.

Als dronken ging ik dikwijls door de wereld,
de liefde leidde jou voort als verkocht mens;
in alle dingen toonde jij altijd liefde,
van jou werd bijna niets waargenomen,
zodat ik, staande in de tempel, schreeuwde:
‘Laat komen om te drinken, wie het uitgehouden heeft,
liefdesdorst gehad heeft, die daar gegeven zal worden
mateloze liefde, die je met zoetheid eet.’

Jij, wijsheid, beteugelde je niet
dat je jouw liefde niet dikwijls uitgoot;
uit liefde, niet uit vlees, werd jij geboren,
in mensgeworden liefde, waarmee jij het gered hebt;
om het te omarmen ben jij op het kruis geklommen;
en ik geloof dat jij daarom niet sprak,
noch jezelf, liefde, vrij pleitte voor Pilatus,
om, op het kruis, dat werk van de liefde te voltooien.

De wijsheid, zie ik, verborg zich,
alleen de liefde kon haar zien;
hoge macht toonde zich niet,
omdat dit de deugd mishaagde,
groot was deze liefde die zich uitgoot,
anders dan liefde kon zij niet hebben
in de praktijk en in de wil, liefde die altijd vastbond
en op het kruis de mens met zoveel liefde omarmde.

Dus, Jezus, als ik verliefd ben,
en dronken door zo grote zoetheid,
wat verwijt je me, dat ik gek word
en al mijn zinnen krachtig verlies?
Ik zie dat de liefde jou heeft vastgebonden.
bijna beroofd van al jouw grootheid,
hoe zou er ooit kracht in mij zijn om dit tegen te spreken,
dat ik niet gek wil worden door jou te omarmen, Liefde?

Dat deze liefde mij gek doet worden
lijkt jou mij te beroven van de wijsheid,
en deze liefde die mij zo doet kwijnen,
lijkt jou mij te beroven  van mijn kracht;
voortaan wil noch kan ik talmen;
door de liefde ben ik gegrepen, ik kan niets meer uit mijzelf;
het vonnis is over mij gesproken dat ik uit liefde gestorven ben;
ik wil geen andere troost meer dan te sterven, Liefde.

Liefde, Liefde die mij zo verwond hebt,
ik kan niet anders dan om de liefde te schreeuwen;
Liefde, Liefde, met jou ben ik verenigd,
ik kan niet anders dan jou omarmen;
Liefde, Liefde, krachtig heb jij mij geroofd,
het hart verwijdt zich steeds meer om te beminnen;
voor jou wil ik verminderen, Liefde, opdat ik met jou ben;
Liefde, alstublieft, laat mij sterven uit liefde.

Liefde, Liefde-Jezus, ik ben in de haven aangekomen;
Liefde, Liefde-Jezus, jij hebt mij geslagen;
Liefde, Liefde-Jezus, geef mij troost,
Liefde, Liefde-Jezus, zo heb jij mij vlam doen vatten,
Liefde, Liefde-Jezus, bedenk de draagkracht,
laat mij aldoor door jou omarmd blijven, Liefde,
met jou omgevormd in ware minne,
in de hoogste waarheid van omgevormde liefde

‘Liefde, Liefde’ schreeuwt heel de wereld,
‘Liefde, Liefde’, roept ieder ding;
Liefde, Liefde , zo diep ben jij,
wie jou meer omarmt, begeert jou steeds meer.
Liefde, Liefde, jij bent een ronde cirkel;
met heel het hart bemint jou altijd, wie daar binnentreedt
om te kleden wie jou bemint, ben jij de draad en de inslag,
met zo zoete ervaring, dat het aldoor schreeuwt ‘Liefde’!

Liefde, Liefde, jij doet zoveel met mij,
Liefde, Liefde, ik kan het niet verdragen;
Liefde, Liefde, jij geeft jouzelf zozeer aan mij,
Liefde, Liefde, ik geloof zeker te sterven!
liefde, liefde, jij hebt mij zozeer in de greep,
Liefde, Liefde, doe mij in jou overgaan!
Liefde, zoet kwijnen, heerlijker sterven,
Liefde mij geliefd, verdrink mij in liefde.

Liefde, Liefde, mijn hart wordt zo gebroken,
Liefde, Liefde, zozeer voel ik de verwonding;
Liefde, Liefde, jouw schoonheid trekt mij tot zich,
Liefde, Liefde, door jou ben ik zo geroofd;
Liefde, Liefde, leven mishaagt me,
Liefde, Liefde, de ziel met jou verenigd!
Liefde, jij bent haar leven, zij kan niet meer weggaan;
want jij doet haar kwijnen, terwijl jij zozeer aandringt, Liefde?

Liefde, Liefde-Jezus een en al verlangen,
Liefde, ik wil sterven jou omarmend,
Liefde, Liefde-Jezus, mijn zoete bruidegom,
Liefde, Liefde, de dood verlangt hartstochtelijk naar jou;
Liefde, Liefde-Jezus zo beminnenswaardig,
jij geeft je over, mij omvormend in jou!
bedenk dat ik begin te verminderen, Liefde, ik weet niet waar ik aan toe ben:
Jezus, mijn hoop, laat mij vallen in de afgrond van liefde!”

(Lauda 89, pp. 319-3280)

Weg van omvorming in Christus

Het Geloof en de Hoop
hebben me buiten mezelf gebracht,
hebben mijn hart vernedering gegeven,
hebben me verniet.

Verniet ben ik innerlijk en uiterlijk
en in dat wat men kan zeggen;
dit is het resultaat wanneer ik in dit leven
gevestigd ben in ware liefde.
Ik kan niet meer vluchten noch wegjagen;
want de zee heeft me omsingeld;
ik ben ondergedompeld, ik kan het niet beschrijven!

Sprekend zwijg ik, schreeuw ik heel luid.
Ik weet waar hij verborgen is
(al zie ik hem niet, hij is altijd aanwezig
in ieder omgevormd schepsel).
Van het zijn naar het niet
heb ik de vereniging bewerkt
en, uit liefde, het ja en het nee opgeheven.

Alles is van hem gescheiden,
niets verliest hij en niets kan hij verlangen;
alles bezit hij en door niets is hij bedorven,
daarom is ieder verlangen verwijderd van hem,
het zijn en het bezitten.
Het totale niets,
dat is de leeftocht die me doet verachten!

Ik veracht ieder ding,
en van ieder ding maak ik deel uit in het bezitten!
Wie ding is van Alle-ding,
kan nooit meer een ding verlangen.
Dit is de eerste staat
van de verniete mens,
die zijn hele wil heeft verzaakt.

Zijn hele wil is verzaakt,
en bewerkt is de vereniging;
hij heeft zich in handen gegeven van de ontsporing
om meer redelijkheid te hebben.
De winden zijn tot rust gekomen
van de voorbije tijden.
Bewerkt is de vrede van het verstrijken van de tijd.

Voorbij is de tijd van het verstrijken van de tijd,
gekomen is een andere tijd die hoger is.
Maken wij een regeling om te regeren
in de eerste, de tweede en de beste:
deze zweert dat de Rede
te allen tijde stand houdt
en geen ogenblik halt houdt.

Geen ogenblik houdt zij halt,
want altijd moet zij in praktijk gebracht worden;
daarom komt het Verstand niet tot rust,
en gaat nog over zee.
Wie niet goed kan zwemmen,
kan beter niet gaan baden!
Hij zou heel snel kunnen verdrinken.

Verdrinken door de zonde kan de mens,
die zijn tekortschieten niet ziet;
daarom is deze staat gevaarlijk,
voor wie geen acht slaat op de Wil.
Het Verstand is buiten werking gesteld,
terwijl het de Wil tot gids neemt,
stralend licht dat duisternis blijkt.

O duister licht dat straalt in mij,
waarom zie ik niets in jou?
Door de zonde, die tot blindheid voert,
zie ik niet wat ik zou moeten
en wat ik niet zou moeten, zie ik;
…………………………….. [?]
van het stralend licht kan ik niet getuigen.

Terwijl ik me bevind in deze diepte van de zee,
schreeuw ik heel luid:
“Kom me te hulp, God, want ik sta op verdrinken
en bij toeval ontsnapte ik aan het onheil!”
Geen mens gaat vissen op volle zee,
want hij zou een dwaasheid begaan,
als hij zich niet eerst van ieder ding wil ontdoen.

De mens wil zich ontdoen van wat dan ook
(wat gebeurt in deze staat)
en in de geest niets dan ook bezitten,
als hij uitgenodigd wil worden tot deze volgende staat;
moet hij gezuiverd worden door het vuur,
…………………………… [?]
dat is de plaats van de beproeving. 

Verdrinken wil hij alle willen,
dat uiteindelijk tot aan de kristallijnen hemel wordt weggeworpen
(en niets kan hij bezitten
tot aan de tijd die ik boven genoemd heb).
Dit is het zekere voorschrift: in de tweede staat
kan niet gehandeld worden.
(wat meer geldt op de aarde, lijkt me).

De seizoenen zijn gevierkant,
ze zijn vastgelegd, kunnen niet afwisselen;
de hemelen zijn tot stilstand gekomen,
in hun stilzwijgen doen ze me schreeuwen:
“0 eindeloos diepe zee,
de diepte van jouw afgrond
heeft me omsingeld om me te verdrinken!”

Verdronken heb ik het Verstand in een rust
(daardoor zijn alle wateren gaan liggen);
onverschillig ben ik voor roem of straf,
geen enkel behagen schep ik in schande of eer
en niets verontrust me, want de volmaakte vrede
maakt mijn ziel gereed
om overal te kunnen heersen.

Heersen in dit rijk,
in dit rijk is de heerschappij aanwezig!
Hij vaart onder zijn banier,
want hij heeft Rome en heel de senaat in zijn macht;
en deze Senator
geneest alle zwakheid:
de Apostel kan je hierin oefenen.

Een hemel kan je oefenen,
want deze hemel is zeer verborgen;
die heeft alle ijver verloren,
en neemt bezit van de Troon en van heel de Heerschappij
en van het Patriarchaat,
daar hij zo omhoog gevoerd is,
wil hij in Israël ten strijde trekken

De Patriarch wil verblijf houden
in de ark van zijn intieme vrienden
en wenst te heersen over Israël,
daar zij hun toevlucht hebben genomen in dit rijk,
de plaats waar zij herenigd zijn
en vanwaar alle andere rijken gevlucht zijn;
dat is het land dat ik wil beërven.

Het land van belofte is beloofd,
omdat in dit land heerste de volmaakte mens
en alle volmaakten heersten daarin,
die hun wil hebben geofferd aan de Deugd.
Met het Verstand buiten werking gesteld,
nemen zij de Wil tot gids,
op iedere plaats kunnen zij zich laten omvormen.

Gevormd zonder vorm,
uit liefde beroofd van alle uiterlijke verschijningen,
zodat zij teruggekeerd zijn tot hun eerste bestaanswijze;
en dit is de reden:
wie zich bevindt in deze derde staat
uit de nieuwe Adam gevormd,
wil niet denken aan zonde noch het doen.

(Lauda 90, pp. 329-333)

Weg van vernieting

Minne aan woorden voorbij,
onvoorstelbare Goedheid,
mateloos licht
verlicht mijn hart.

Je gekend te hebben
geloofde ik met het verstand,
gesmaakt met het gevoel,
gezien door gelijkenis.
gelovend jou bezeten hebben
volmaakt als je bent,
en dit genot ervaren,
minne zonder maat.
Nu lijkt het me een vergissing:
je bent niet wie ik geloofde,
ik bezat noch had
waarheid zonder dwaling.

Onvoorstelbaar licht,
wie kan jou voorstellen,
die wilde wonen
in donkere duisternis?
Jouw licht voert er niet toe
– die jou meende te zien –
te kunnen meten
van jou wat je bent;
nacht zie ik die dag is,
deugd wordt niet hervonden;
jou kan niet beschrijven
die dit helder licht ziet.

De Deugd verliest zijn werking,
zo gauw hij de haven bereikt,
en alles ziet hij omgekeerd
dat hij rechtop dacht;
hij bewerkt een nieuwe verandering
waar het licht gedoofd is;
een nieuwe staat is nodig
waar hij niet naar op zoek was;
wat hij niet beminde
en al het verlorene
wat hij bezeten had
omwille van zijn kostbare waarde.

Als de werking van de geest
geheel buiten werking is,
en in God is ontrukt,
zodat hij zichzelf kwijt is,
blijft hij aan zichzelf verloren,
en geplaatst in het oneindige
verbaast zij zich hoe het gekomen is
hij weet niet hoe het beweegt;
alles vernieuwt zich,
getrokken uit zijn staat,
in dit mateloze
waar alle minne teniet gaat.

In het midden van deze zee
zo diep in de afgrond gezonken,
vindt hij al geen oever meer
waar hij eruit kan gaan;
hij weet niet wat van zichzelf te denken,
noch te zeggen hoe hij ontvormd is
door dat wat omgevormd is,
anders om zich te kleden.
Zijn hele bewustzijn
zwemt in het Goede,
terwijl het Schoonheid schouwt,
die geen kleur heeft.

Aan alles neemt hij deel,
zoveel bezit hij door vereniging
en omvorming,
dat hij zegt: “Alles is van mij”.
Geopend zijn de deuren:
hij heeft gemeenschap met
en is in bezit
van alles dat God is.
Hij ervaart wat hij niet ervoer,
wat hij niet kende ziet hij,
hij bezit wat hij niet gelooft,
proeft zonder smaak.

Omdat hij zich verloren heeft
geheel zonder maat,
bezit hij deze hoogte
van uiterste mateloosheid;
omdat hij niet onderhouden heeft
in zich andere vermenging,
ontvangt hij in overvloed
dat onvoorstelbare Goed.
Dit is deze omvorming:
verliezend en bezittend;
je kunt niet meer verwachten iemand te vinden
die erover kan spreken.

Aldoor verliezen en behouden,
minnen en genieten,
zien en schouwen,
dit blijft in werking;
met zekerheid bezitten
en in dat Goed zwemmen,
en erin rusten:
dáár ziet men hem in verrukking;
daarin bestaat de gehele verandering,
werking van minne,
licht van waarheid,
dat van kracht blijft.

Andere werking heeft niet plaats,
daarboven is geen vooruitgang meer;
wat er was, houdt op
in de geest waarmee hij op zoek was;
hitte, vurige minne,
noch liefdespijn worden bij ons toegelaten;
zo’n licht is niet aanwezig daarin
wat er eerst gedacht werd;
dat waarmee hij zocht,
moet hij loslaten,
en naar nieuwe dingen overgaan,
boven heel zijn bewustzijn.

Licht lijkt hem duister,
dat eerst verlichtte;
wat hij kracht geloofde,
bleek grote zwakheid;
hij kan er geen voorstelling meer van geven
zoals hij eerst gewoon was,
toen hij spreken kon,
onderzoeken met het verstand;
met dat volmaakte Goed
bestaat niet zo’n gelijkenis
die je voor zeker houdt,
en evenmin bezit je die.

Toen je voor het eerst was aangekomen,
dacht je dat duisternis is
wat je voor dag hield,
dat licht duisternis is.
Als je niet op dit punt bent,
dat je geest niet op zich staat,
is alles bedrog
wat je waarheid leek;
en is er geen liefde
in jou nog zuiver,
terwijl je zorg hebt voor jezelf,
denk je winnaar te worden.

Als je je voorstelt
beelden om te zien,
en met smaak te smaken
wat het onmetelijke is,
geloof je daartoe in staat te zijn, al overwegend,
oneindige macht,
zoals die is, te bezitten,
dan lijk je me zeer bedrogen;
niet bestaat wat je hebt gedacht,
en wat je gelooft als zekerheid;
er bestaat geen gelijkenis meer
met Hem zonder dwaling.

Laat je dus trekken,
wanneer Hij je raakt,
als hij je misschien ertoe brengt
zijn waarheid te zien;
en niet aan jezelf te denken,
dan doet het er niet toe dat je kunt bereiken
dat je jezelf in Hem terug vindt
door je veelvuldigheid.
Bemin rust
boven handeling en gevoel,
om terug te vinden, in zelfverlies,
de waarde van Hem.

In datgene wat hem behaagt
je te plaatsen, dat bevalt je,
daar niet geldt om het te bereiken
hoeveel inspanning je je getroost.
Bewerk vrede in jezelf,
omhels Hem als hij jou omhelst;
als hij het niet doet, is het je even lief;
let erop dat je niet zorgt voor jezelf.
Als je mint zoals je moet beminnen,
zou je altijd tevreden zijn,
omdat je dat talent bezit
licht zonder vrees.

Je weet dat je niet kunt hebben
tenzij Hij wil geven,
en wanneer hij het niet wil doen,
heb je al geen heerschappij meer;
evenmin kun je bezitten
wat je hebt, door jouw inspanning,
als zijn zoete vrijgevigheid
dit niet wil bewaren;
heel jouw weg is daarom
zó buiten jou geplaatst
dat hij niet in jou geborgen is,
maar geheel en al in de Heer.

Dus, als je Hem gevonden hebt,
erken je, in waarheid,
dat je geen macht hebt
enig goed te vinden.
Het goede dat je gegeven is
mist deze liefde
die je door je eigen initiatief
niet voor kunt zijn;
je verlangen is daarom
geheel gelegen
in deze onmetelijke
Gever van alle goeds.

Jou behoort geen willen meer
tenzij wat Hij wil;
Heel je zelf verliezen
in Hem omgevormd;
in heel zijn welbehagen
vind jij jezelf altijd ingevoegd,
altijd met Hem bekleed,
van jezelf geheel ontdaan;
daarom dat in deze staat,
die iedere deugd overstijgt,
Christus, die zich hier bevindt,
je nooit in de stank van zonde laat vallen.

Vanaf het moment dat je niet mint
jezelf, maar die Goedheid,
kun je waarlijk voor zeker houden
dat een ding gedaan is;
het is nodig dat hij je bemint
met zijn liefde,
in zoveel eenheid
dat je in Hem getrokken bent.
Dit is een verandering
van grote vereniging,
geen scheiding
kan twee tot één van hart maken.

Als je jezelf geheel aan Hem hebt gegeven,
niets van jezelf achterhoudend,
niet jezelf, maar Hem beminnend,
dan kan hij je niet meer ontrouw zijn.
Dat Goede dat jou gegeven is,
jou omvormend in Hem:
zal Hij zichzelf ontrouw door toe te laten
dat jij in schuld valt?
Dus, zoals dit Licht
al niet meer ontrouw kan zijn aan zichzelf,
zo kun jij het niet, die geleid wordt
door zo’n gelijkvormige minne.

0 hoge Waarheid,
aan wie de heerschappij toebehoort,
jij bent eindpunt en weg
voor wie jou goed gevonden heeft.
Zoete rust
zo hoog verheven,
geen ding dat bestaat
kan jouw staat veranderen,
doordat hij geplaatst is
in onveranderlijk licht;
terwijl hij door vuilheid gaat,
verliest hij zijn helderheid niet.

Rein blijft altijd
de geest die Jou bezit;
met schuld  bevuilt hij zich niet ,
omdat die niet op kan klimmen;
op zo grote hoogte staat hij
en in vrede zit hij,
de wereld van ondeugd ziet hij
geheel onder zich verdwijnen.
De deugden verliezen gevoel van zichzelf
in de vurige minne!
Van zo’n bezitvolle staat
bezit hij de waardigheid nog niet.

De oorlog is beëindigd,
de veldslag van de deugden,
de kwellingen van de geest.
Niets belemmert nog.
De geest is vernieuwd:
gekleed in zo’n model harnas;
van zulk ijzer is de wapenrok,
verwonding kwetst hem niet;
naar het licht verlangt hij steeds hevig,
geen eigen vorm wil hij meer,
daarom op deze hoogte
vraagt hij van buiten geen licht meer.

Boven het firmament,
dat vol sterren staat,
met alle deugden getooid;
en boven de kristallijnen hemel
is de omvorming geschied;
in zuiverheid overgegaan,
wordt de derde hemel gevonden,
de gloed van een serafijn;
licht zozeer goddelijk 
kan niet bezoedeld worden
door schuld, noch verlaagd,
noch in zich de stank gewaarworden.

Alle geloof houdt op,
daar hem gegeven is te zien;
hoop, omdat hij bezit
Degene die hij hartstochtelijk verlangde;
verlangen vertoont zich niet,
noch wilskracht,
onzekerheid om overeind te blijven;
hij heeft meer dan hij wenste.
Bij het zien van wat hij gedacht had,
was alles blindheid,
stormachtige honger,
gelijkenis met vergissing.

In deze hoogste hemel
zo hoog is dat wat hij vindt
dat het niet beschreven kan worden,
noch met een tong verteld;
en veel meer verbaas ik me
hoe hij zich zo hernieuwt
en in stevigheid vernieuwt,
dat hij onvoorstelbaar is;
en hij kan niet meer dwalen,
vallen in duisternis,
de nacht is dag geworden,
falen grote liefde.

Zoals de lucht licht geeft,
als daarin het licht  is aangestoken,
zoals was, gesmolten,
aan groot vuur blootgesteld,
toch weer licht geeft,
aan dat licht onttrokken,
heel zijn werking verliest,
want de wil is overgegaan;
de vorm die hem gegeven is,
heeft hij zozeer opgenomen
dat hij leeft dood blijvend
en overwonnen is én overwinnaar.

Ga niet zoeken in de zee
wijn, als je die daarin goot,
om daar te kunnen vinden
wat de zee ontvangen heeft.
En als iemand deze proef zou nemen,
moet hij niet geloven dat het wijn bleef
en op zich bleef bestaan
(het lijkt dat het niet had bestaan);
de Minne heeft hem gedronken,
de Waarheid omgevormd,
het zijne is uitgeschakeld,
over zichzelf heeft hij geen macht meer.

Willend wil hij niet meer
wat zijn wil niet heeft,
en hij kan niets meer zien
tenzij deze schoonheid;
hij vraagt niet zoals hij gewoon was,
noch in zich wil hij bezitten;
tegenover zoet bezit
is niets zijn kracht.
Deze hoogste hoogheid
is  in niets gegrondvest,
nietheid gevormd
en geplaatst in zijn Heer.

O hoge nietheid,
jouw werking is zo krachtig,
dat je wijd openspert  alle deuren
en binnentreedt in het oneindige.
Jij voedt je met Waarheid
en vreest geen dood,
recht maak je scheve dingen,
het duister verhelder je;
zozeer maak je het hart verenigd 
in goddelijke vriendschap,
dat er geen ongelijkvormigheid bestaat
om de Minne tegen te spreken.

Zo groot is je slimheid
die je boven alles verheft
en onder je laat blijven
het tekortschieten;
met zoveel lichtvoetigheid
ga je over naar de Waarheid,
dat je niet meer op je schreden terugkeert
om jouw schuld te bezien.
Altijd verheug jij je,
zozeer ben je een van wil geworden,
in de Waarheid overgegaan,
dat je geen enkele pijn voelt.

Behagen en mishagen
heb je buiten je geworpen;
in God heb je je geplaatst,
jou behaagt wat Hem behaagt;
willen en niet willen
in jou is verniet,
verlangen gedoofd,
daarom heb je aldoor vrede.
Dit is zo’n oven
die loutert en niet verbrandt,
waartegen geen verdediging bestaat
koude noch hitte.

Verdienste zoek je niet,
maar altijd vind je verdienste:
licht met nieuwe gaven,
die je niet vraagt;
altijd in God zoveel omvat je
dat je je niet verwijdert
en altijd vreugden ervaart,
waar alles jou uitbreidt;
je rent zonder te lopen,
stijgt hoe meer je afdaalt,
hoe meer je geeft, krijg je:
je bezit de Schepper.

Jij bezit bezeten
in zo grote vereniging,
er bestaat geen scheiding,
die jeou van Hem terugtrekt;
je drinkt en wordt gedronken
in omvorming;
van zo’n volmaaktheid
is er niemand die je wegtrekt;
dat hij zijn hand sluit,
omdat hij niet meer wil geven,
kan men niet meer vinden;
jij bent meesteres en heer.

Jij hebt de dood overwonnen,
en in het ware leven geplaatst
vrees je geen verwonding 
noch iets dat je kwetst;
niets is jou te sterk,
nadat je afscheid hebt genomen van jezelf;
in God oneindig gemaakt,
verzet niemand zich tegen je;
niemand begrijpt je meer,
ziet hoe je gevormd bent,
tenzij degene die je verhoogd heeft
en jouw maker is.

Jouw diepe laagheid
is zo hoog veredeld,
op een troon geplaatst
om altijd met God te heersen;
en in deze hoogste hoogheid
ben jij zozeer verzonken in zijn afgrond
dat je niet meer te vinden bent
en in jezelf verschijnt.
Dit opklimmen is zodanig,
dat stijging gelijk staat aan afdaling;
wie er geen ervaring van heeft
kan het niet meer begrijpen.

Overvloed die je bezit
wanneer je alles verloren hebt,
nooit meer werd gezien
een verandering hieraan gelijk.
O Licht dat toestaat
dat tekortschieten tot voordeel strekt,
daar het bezeten heeft
deugden buiten zijn eigen werking,
dit is een nieuwe overeenkomst,
daar waar het leven krachteloos wordt
en, krachteloos wordend, groeit in kracht,
verslapt en zich versterkt.

Van nadelen maak jij voordelen,
zo’n licht draag je met je,
en alles doe je verdwijnen
wat zich kan verzet.
Jouw bezittingen zijn volmaakt,
alle andere zijn verkeerd,
door jou leven doden,
zieken doe je genezen,
omdat je weet te vinden
in het vergift een geneesmiddel,
stevigheid in grote ruïne,
in duisternis helder licht.

Ik kan jou noemen tuin
met alle bloemen getooid,
en in jou is geplant
de boom van het leven;
jij bent goddelijk licht,
van duisternis gezuiverd;
in het goede zozeer bevestigd
dat je geen verwonding ondergaat;
en omdat je bent verenigd
geheel met de Waarheid,
doet geen veelvuldigheid
je veranderen door onzekerheid.

Minne, hoe krachtig ook,
kan nooit bewerken
volmaakte omvorming
noch heersen zonder jou;
tot haar bezit
kan de deugd niet voeren,
noch de geest door overweging,
als hij jouw gunst niet geniet;
nooit sluiten zich de deuren
voor jouw heerschappij;
groot is jouw waardigheid
samen te zijn met de keizer.

Van Christus was jij de vrouwe
en van alle heiligen,
om te heersen met zoveel voorrechten ,
met geheel zuiver licht.
Daarom bidden wij, mijn vrouwe,
dat jij ons beschermt met jezelf,
`odat we voor Hem liederen zingen
minnen zonder falen,
en zien zonder voorstelling
de hoogste Waarheid
met de nietheid
van ons arm hart.

(Lauda 92, pp. 335-349)

Download

? MB
(fixed PDF for print)
? MB
(refloatable epub 3.0)
Ondersteund door:

Op dit boek is een Creative Commons Attribution 4.0 International licentie van toepassing (CC BY).

Verdieping

[Titel artikel]

Bibliografische gegevens

Titel:
Auteur:
Redacteur:
Vertaler:
Jaar:
Plaats:
Uitgever:
Gepubliceerd in:[in geval van publicatie in tijdschrift. (Met vermelding van jaar, jaargang, reeksnr. enz.)]
ISBN:XX-XXX-XXXX-X
DOI:Zenodo

Samenvatting

Your content goes here. Edit or remove this text inline or in the module Content settings. You can also style every aspect of this content in the module Design settings and even apply custom CSS to this text in the module Advanced settings.

Titel 1

Your content goes here. Edit or remove this text inline or in the module Content settings. You can also style every aspect of this content in the module Design settings and even apply custom CSS to this text in the module Advanced settings.

Titel 2

Your content goes here. Edit or remove this text inline or in the module Content settings. You can also style every aspect of this content in the module Design settings and even apply custom CSS to this text in the module Advanced settings.

Titel 3

Your content goes here. Edit or remove this text inline or in the module Content settings. You can also style every aspect of this content in the module Design settings and even apply custom CSS to this text in the module Advanced settings.

Download

? MB
(fixed PDF for print)
? MB
(refloatable epub 3.0)
Ondersteund door:

Op dit boek is een Creative Commons Attribution 4.0 International licentie van toepassing (CC BY).

[Titel boek]

Bibliografische gegevens

Titel:
Auteur:
Redacteur:
Vertaler:
Jaar:
Plaats:
Uitgever:
Gepubliceerd in:[in geval van publicatie in tijdschrift. (Met vermelding van jaar, jaargang, reeksnr. enz.)]
ISBN:XX-XXX-XXXX-X
DOI:Zenodo

Inhoudsopgave

Voorwoord

  1. Hoofdstuk 1
    1. Paragraaf 1
    2. Paragraaf 2
  2. Hoofdstuk 2
    1. Paragraaf 1
    2. Paragraaf 2
  3. Hoofdstuk 3
  4. Hoofdstuk 4
  5. Hoofdstuk 5
  6. Bibliografie

Download

? MB
(fixed PDF for print)
? MB
(refloatable epub 3.0)
Ondersteund door:

Op dit boek is een Creative Commons Attribution 4.0 International licentie van toepassing (CC BY).